Uitspraak 202405898/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3817
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem meegedeeld dat hij in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Appellant heeft de Syrische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1988. De minister heeft de asielaanvraag van appellant afgewezen, omdat appellant in 2010 in Syrië traditioneel is gehuwd met [partner], geboren op [geboortedatum] 1998, en hij dat huwelijk direct heeft geconsummeerd. Dat wil zeggen dat appellant seksuele gemeenschap heeft gehad met zijn huwelijkspartner. Op dit moment verblijven de huwelijkspartner en hun kinderen in Saudi-Arabië. Het gaat de minister niet om het huwelijk zelf, maar om het feit dat appellant dat huwelijk heeft geconsummeerd met zijn huwelijkspartner die op dat moment twaalf jaar oud was. De rechtbank is de minister hierin gevolgd. De Afdeling toetst in deze uitspraak of de rechtbank dat juist heeft gedaan.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202405898/1/V2.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[de appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 augustus 2024 in zaak nr. NL24.12575 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem meegedeeld dat hij in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Bij uitspraak van 22 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
De Afdeling heeft de UNHCR in de gelegenheid gesteld aan de procedure deel te nemen.
De UNHCR heeft een reactie gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 oktober 2025, waar appellant, bijgestaan door mr. M. Grigorjan, advocaat in 'sHertogenbosch, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. Favier en mr. J.P. Guérain, zijn verschenen.
De zaak is op de zitting gelijktijdig behandeld met zaken nrs. 202406664/1/V2, 202408004/1/V2 en BRS.25.000796.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Appellant heeft de Syrische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1988. De minister heeft de asielaanvraag van appellant afgewezen, omdat appellant in 2010 in Syrië traditioneel is gehuwd met [partner], geboren op [geboortedatum] 1998, en hij dat huwelijk direct heeft geconsummeerd. Dat wil zeggen dat appellant seksuele gemeenschap heeft gehad met zijn huwelijkspartner. Op dit moment verblijven de huwelijkspartner en hun kinderen in Saudi-Arabië. Het gaat de minister niet om het huwelijk zelf, maar om het feit dat appellant dat huwelijk heeft geconsummeerd met zijn huwelijkspartner die op dat moment twaalf jaar oud was. De rechtbank is de minister hierin gevolgd. De Afdeling toetst in deze uitspraak of de rechtbank dat juist heeft gedaan.
1.1. De minister heeft zijn besluit gebaseerd op artikel 30b, aanhef en onder j, van de Vw 2000. In dat artikel staat dat de minister een asielaanvraag kan afwijzen als een vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Er is onder meer sprake van zo’n gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid als een vreemdeling een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. In dat geval is de vreemdeling uitgesloten van de vluchtelingenstatus.
1.2. De minister heeft in zijn besluit aangenomen dat appellant bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op foltering of een behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Dit betekent dat de minister appellant niet gedwongen zal uitzetten naar Syrië. Doordat de minister appellant tegenwerpt dat hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd, is appellant ook uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus. Dit volgt uit artikel 3.107, tweede lid, van het Vb 2000.
1.3. Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 3 tot en met 3.6, heeft de Afdeling uitgelegd hoe de minister moet beoordelen of sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf. De Afdeling verwijst voor het beoordelingskader dan ook naar die overwegingen.
1.4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
De aard van het misdrijf en de omvang van de gevolgen
2. Appellant klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank bij de beoordeling van de aard van het misdrijf niet heeft onderkend dat de huwelijkspartner heeft ingestemd met de consummatie van het huwelijk.
2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat seksuele gemeenschap tussen een volwassene en een minderjarige van twaalf jaar naar haar aard een zeer ernstig misdrijf is. De rechtbank heeft terecht gewezen op de zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en de langdurige nadelige psychische gevolgen daarvan. Daarbij verwijst de Afdeling naar punt 9 van de brief van de UNHCR van 30 september 2025 die is opgenomen in een bijlage bij de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643. De UNHCR licht onder meer toe dat huwelijken met minderjarigen en de daaraan gerelateerde seksuele en psychische schade vormen kunnen zijn van onderdrukking van kinderen.
2.2. De rechtbank heeft verder terecht in haar oordeel betrokken dat een minderjarige van twaalf jaar oud niet in staat kan worden geacht om zijn of haar seksuele integriteit te bewaken en weerstand te bieden aan een volwassene. De rechtbank heeft terecht overwogen dat minderjarigen, vanwege hun leeftijd, beschermd moeten worden tegen personen die van hen seksueel misbruik willen maken. In dat kader heeft de rechtbank terecht geen waarde gehecht aan het feit dat de huwelijkspartner zou hebben ingestemd met de consummatie van het huwelijk. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de minister de aard van het misdrijf en de gevolgen daarvan terecht bij zijn conclusie heeft betrokken dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf.
2.3. De eerste grief faalt.
Strafmaat en straftoemeting
3. Appellant klaagt in zijn tweede grief over het oordeel van de rechtbank over de strafmaat. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de strafmaat per 1 juli 2024 is verhoogd van acht naar vijftien jaar door de invoering van het nieuwe artikel 248 van het Wetboek van Strafrecht. Die wijziging heeft namelijk pas plaatsgevonden na het besluit van de minister. Daarnaast betoogt appellant dat de feitelijke bestraffing relevant is. Hoewel de maximale straf omhoog is gegaan, wordt er volgens appellant niet zwaar gestraft in Nederland wanneer sprake is van een affectieve relatie en voortzetting van die relatie. Appellant verwijst naar zijn gronden van beroep waarin hij voorbeelden van vergelijkbare gevallen heeft genoemd. Daarom is geen sprake van een ernstig niet-politiek misdrijf, aldus appellant.
3.1. De minister heeft een eigen verantwoordelijkheid om te onderzoeken en te beoordelen of appellant een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De minister moet in die beoordeling alle omstandigheden onderzoeken. Appellant is niet strafrechtelijk veroordeeld en daardoor kan de minister geen rekening houden met een oordeel van de strafrechter. De minister is niet gehouden aan de straftoemeting in andere strafzaken waaronder de strafvonnissen waar appellant naar verwijst. Elke zaak heeft namelijk een eigen samenstel van feiten en omstandigheden die de straftoemeting bepalen. Straftoemetingen in andere strafvonnissen zijn daarom alleen relevant als de feiten en omstandigheden vergelijkbaar zijn. Appellant heeft echter niet toegelicht of onderbouwd dat de strafzaken zo vergelijkbaar zijn dat de minister rekening had moeten houden met de straftoemeting in die zaken. De rechtbank heeft daarom terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister de feitelijke straftoemeting had moeten betrekken in zijn beoordeling. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3733, onder 4.2 en 4.3.
3.2. In het kader van de strafmaat heeft de minister terecht gewezen op de maximumstraf die staat op het hebben van seksuele gemeenschap met een minderjarige van twaalf jaar oud. Appellant heeft hierover wel terecht aangevoerd dat de rechtbank niet mocht verwijzen naar artikel 248 van het Wetboek van Strafrecht, omdat die bepaling niet van toepassing was toen appellant het huwelijk consummeerde. De grief kan alleen niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat de minister in zijn besluit terecht heeft gewezen op artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Die bepaling was wel van toepassing toen appellant het huwelijk consummeerde. De maximumstraf was volgens die bepaling acht jaar. De minister heeft die strafmaat terecht betrokken in zijn conclusie dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf. Vergelijk de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 5.6.1.
3.3. De tweede grief faalt.
Is er sprake van internationale (rechterlijke) consensus?
4. Appellant klaagt in zijn derde, vierde en vijfde grief over het oordeel van de rechtbank dat er een internationale consensus bestaat dat het consummeren van een huwelijk met een minderjarige huwelijkspartner van twaalf jaar oud een ernstig niet-politiek misdrijf is. De Afdeling heeft bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 5.3 tot en met 5.4.8, onder meer overwogen dat er internationale consensus bestaat dat het consummeren van een huwelijk met een partner van jonger dan veertien jaar een ernstig niet-politiek misdrijf is. De Afdeling heeft haar overwegingen gebaseerd op de brief van de UNHCR van 30 september 2025 en de beschikbare landeninformatie die de UNHCR daarin heeft betrokken. Wat appellant over de internationale (rechterlijke) consensus heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
4.1. De derde, vierde en vijfde grief falen.
Geen strafrechtelijke vervolging in Syrië
5. Appellant klaagt in zijn zesde grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht geen waarde heeft gehecht aan het feit dat appellant in Syrië niet strafrechtelijk is vervolgd. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het feit dat appellant niet in Syrië is vervolgd het gepleegde feit niet minder ernstig maakt. Het is voor de beoordeling van 1(F)-misdrijven niet vereist dat een vreemdeling strafrechtelijk is vervolgd. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1443, onder 9. Daarom is niet relevant of de Syrische autoriteiten op de hoogte waren van de consummatie van het huwelijk en of zij appellant daarvoor wilden of konden vervolgen.
5.1. De zesde grief faalt.
Wist appellant of had hij behoren te weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde?
6. Om te kunnen bepalen of een vreemdeling individueel voor artikel 1(F)-handelingen verantwoordelijk moet worden gehouden, wordt onderzocht of kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf of de betreffende misdrijven ("knowing participation") en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ("personal participation"). Indien hiervan sprake is, kan aan een vreemdeling artikel 1(F) worden tegengeworpen. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van de "personal and knowing participation-test" (artikel 25 en 27 tot en met 33 van het Statuut van Rome). Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2350, onder 2.1.
6.1. Niet in geschil is dat appellant het huwelijk heeft geconsummeerd en dat hij dus het misdrijf heeft gepleegd. Daarom is sprake van "personal participation". Partijen verschillen mening over of het bestaan van "knowing participation" kan worden aangenomen. De Afdeling heeft eerder overwogen dat hiervoor niet is vereist dat een vreemdeling zich, toen hij de gedragingen verrichtte, ook daadwerkelijk bewust was van het 1(F)-karakter hiervan. Het gaat erom dat de vreemdeling wist of had behoren te weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde en niet dat hij wist dat het ernstig genoeg was om artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegen te werpen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3064, onder 3.2.
6.2. Appellant klaagt in zijn achtste grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht heeft gesteld dat appellant wist of behoorde te weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde. Appellant betoogt dat geen sprake was van opzet, dat de huwelijkspartner en alle ouders toestemming hebben gegeven, dat zijn ouders het proces naar het huwelijk toe hebben begeleid en dat hij geen juridische kennis heeft. Daarbij wijst appellant erop dat er geen noodzaak was om het huwelijk aan te gaan anders dan dat appellant een geschikte partner was. Daarnaast is sprake geweest van een verlovingsperiode van zes maanden, aldus appellant.
6.3. Appellant betoogt verder dat het een feit van algemene bekendheid is dat kindhuwelijken gebruikelijk zijn in zijn herkomstgebied in Syrië en dat die daar in de cultuur zijn geaccepteerd. Van de minister mag worden verwacht dat hij dit weet. Appellant verwijst in dat kader naar een artikel van 27 januari 2021 op de site van Het Grote Midden-Oosten Platform. Hij betoogt dat daarin wordt bevestigd dat meisjes in bepaalde regio’s in Syrië op jonge leeftijd trouwen. Appellant wijst erop dat zijn eigen nichtjes op dertienjarige leeftijd al een kind hadden gekregen. Tot slot wijst appellant erop dat de zus van zijn huwelijkspartner op veertienjarige leeftijd is getrouwd en in Nederland verblijft op grond van gezinshereniging met haar echtgenoot.
6.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister terecht heeft aangenomen dat appellant wist of had behoren te weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde. Zoals overwogen in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 6.4, kan de Afdeling niet vaststellen of het consummeren van een huwelijk met een minderjarige huwelijkspartner strafbaar is gesteld in Syrië. De Afdeling acht die vaststelling in dit geval niet noodzakelijk, omdat de rechtbank haar oordeel over "knowing participation" terecht mede heeft gebaseerd op andere omstandigheden. Dit licht de Afdeling hierna toe.
6.5. De rechtbank heeft terecht in haar oordeel betrokken dat appellant zich bewust was van de zeer jonge leeftijd van de huwelijkspartner toen hij het huwelijk consummeerde. In dat kader heeft de rechtbank terecht in haar oordeel betrokken dat appellant heeft verklaard dat hij eerst had geprobeerd om bij de Syrische rechter een wettelijk huwelijk te sluiten met zijn huwelijkspartner. De Syrische rechter weigerde dit en gaf aan appellant te kennen dat het niet mogelijk was om een wettelijk huwelijk te sluiten, omdat de huwelijkspartner daarvoor nog te jong was. De Syrische rechter wees hem op de mogelijkheid om een traditioneel huwelijk te sluiten.
6.6. De rechtbank heeft op basis van deze feiten en omstandigheden terecht overwogen dat appellant zich bewust was van de jonge leeftijd van de huwelijkspartner. Dat appellant zich bewust was van de jonge leeftijd, volgt naar het oordeel van de Afdeling ook uit zijn verklaring dat het zijn wens was om met een jong meisje te trouwen, zodat hij de eerste man in haar leven zou zijn en dat zij geen andere man voor hem had leren kennen. De minister hoeft, nu appellant zich bewust was van de leeftijd, niet te bewijzen dat appellant ook kennis had van het feit dat de minderjarige huwelijkspartner geen toestemming kon geven voor het consummeren van het huwelijk. De Afdeling verwijst naar punt 34 van de brief van de UNHCR van 30 september 2025. De minister mag ervan uitgaan dat appellant die kennis had of had behoren te hebben toen hij het huwelijk consummeerde. Het maakt dan ook niet uit wat de omstandigheden waren voor het huwelijk, of al dan niet sprake was van opzet, dat toestemming zou zijn gegeven voor de consummatie, dat zijn ouders het proces zouden hebben begeleid en dat hij geen juridische kennis zou hebben, zoals appellant heeft betoogd.
6.7. Appellant betoogt dat het een feit van algemene bekendheid is dat kindhuwelijken gebruikelijk zijn in zijn herkomstgebied en dat kindhuwelijken ook voorkomen in zijn familie. In dat kader heeft de minister tijdens de zitting bij de Afdeling terecht gewezen op informatie op de website van de organisatie Girls Not Brides. Volgens deze organisatie is drie procent van de huwelijken in Syrië gesloten met meisjes van vijftien jaar of jonger. Dit is gebaseerd op gegevens van UNICEF (Central Bureau of Statistics, Multiple Indicator Cluster Survey (MICS) 2006, 2008). De minister heeft, gelet op dit geringe percentage, terecht gesteld dat geen sprake is van een breed geaccepteerde gewoonte of traditie waardoor appellant niet wist of niet had kunnen weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde.
6.8. Appellant heeft nog gewezen op een citaat uit het voornoemde artikel van 21 januari 2026 op de website van Het Grote Midden Oosten Platform. Daarin staat onder meer dat kindhuwelijken in verschillende vormen kunnen voorkomen, die afwijken van het stereotiepe beeld over kindhuwelijken. Appellant heeft daarbij niet toegelicht hoe en waarom dit toch zou moeten leiden tot de conclusie dat hij in zijn geval niet wist of niet had kunnen weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde.
6.9. De achtste grief faalt.
Omstandigheden na het misdrijf en de ernst van het misdrijf
7. Het Hof van Justitie heeft in het arrest van 30 april 2025, Galte, ECLI:EU:C:2025:292, punt 45, overwogen dat, om de ernst van het misdrijf in kwestie te beoordelen, de bevoegde autoriteit onder meer de aard van de betrokken daad moet onderzoeken, de op het misdrijf gestelde straf en de opgelegde straf, de tijd die is verstreken sinds het strafbare feit, het gedrag van de betrokkene gedurende die periode en het berouw dat de betrokkene in voorkomend geval heeft getoond. Zoals volgt uit punt 39 van het arrest Galte, gaat het uiteindelijk om de vraag of het niet-politieke misdrijf zo ernstig is dat de betrokkene niet legitiem aanspraak kan maken op de bescherming die aan de vluchtelingenstatus is verbonden. Dat moeten de lidstaten, en dus de minister, steeds per geval beoordelen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 3.5 en 3.6.
7.1. Appellant klaagt in zijn zevende grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht heeft gesteld dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf en dat de minister appellant terecht heeft tegengeworpen dat hij zo’n misdrijf heeft gepleegd. Appellant betoogt dat de rechtbank en de minister onvoldoende rekening hebben gehouden met verzachtende omstandigheden. Appellant wijst op het tijdsverloop en betoogt dat hij nog steeds gelukkig is getrouwd en drie kinderen heeft. Tot slot betoogt appellant dat geen rekening is gehouden met het ontbreken van een recidiverisico en dat hij zelfreflectie heeft laten zien voor wat hij heeft gedaan.
7.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister terecht heeft gesteld dat het misdrijf zo ernstig is dat hij artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan appellant mocht tegenwerpen. Gelet op de aard en de omvang van de gevolgen van het misdrijf, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen vanwege het mogelijk ontbreken van het recidiverisico en het tijdsverloop. De minister heeft daar dan ook weinig betekenis aan mogen geven.
7.3. Daarnaast is van belang dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat appellant niets naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat appellant verantwoordelijkheidsbesef en berouw heeft getoond. De rechtbank heeft daarbij terecht betrokken dat appellant tijdens de zitting heeft verklaard dat hij zich niet wenst te verontschuldigen voor iets dat normaal was. Anders dan appellant betoogt, blijkt uit deze overweging niet dat de rechtbank appellant tegenwerpt dat hij nu spijt zou moeten hebben van zijn gezin. De rechtbank heeft die verklaring bij haar oordeel betrokken in het kader van de vraag of appellant verantwoordelijkheidsbesef en berouw heeft getoond voor het consummeren van het huwelijk met zijn huwelijkspartner die toen twaalf jaar oud was. De Afdeling ziet in wat appellant hierover tijdens de zitting bij de Afdeling heeft verklaard, geen aanleiding voor een ander oordeel.
7.4. Appellant betoogt verder dat de minister de huwelijkspartner had kunnen horen. De minister heeft daarover tijdens de zitting van de Afdeling terecht naar voren gebracht dat hij de huwelijkspartner niet heeft hoeven horen, omdat betwijfeld kan worden of er veel waarde aan de eventuele verklaringen van de huwelijkspartner kan worden gehecht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:3643, onder 7.4 en 7.5.
7.5. De Afdeling is van oordeel dat de minister heeft mogen vasthouden aan de kwalificatie van ernstig misdrijf bedoeld in het arrest Galte. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor een andere conclusie.
7.6. De zevende grief faalt.
SIS-signalering
8. Appellant klaagt in zijn negende grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht een besluit tot signalering in het SIS heeft genomen.
8.1. Als de minister een besluit tot signalering in het SIS wil nemen, moet hij beoordelen of appellant een bedreiging vormt voor de openbare orde of veiligheid. In het arrest van 2 mei 2018, K. en H.F., ECLI:EU:C:2018:296, heeft het Hof uitgelegd hoe de minister dat moet doen. De Afdeling is in haar uitspraak van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3017, op dat arrest ingegaan. Het gaat daarbij onder meer om de vraag of appellant verantwoordelijkheid neemt en oprecht berouw toont.
8.2. In dat kader heeft de rechtbank terecht in haar oordeel betrokken dat appellant niets naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat appellant verantwoordelijkheidsbesef en berouw heeft getoond, zoals overwogen onder 7.3. Appellant wijst in zijn grief nog op het tijdsverloop, maar aan die omstandigheid komt op zichzelf geen doorslaggevende betekenis toe. Vergelijk de uitspraak van 16 december 2020, onder 9.3 tot en met 9.5. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de minister terecht een besluit tot signalering heeft genomen, omdat appellant een bedreiging vormt voor de openbare orde of veiligheid.
8.3. De negende grief faalt.
Arrest Remling
9. Uit de overwegingen 1.3, 7 en 8.1 volgt dat de opgeworpen vragen of appellant een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en of de minister appellant mocht signaleren in het SIS, kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie
10. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
992
Minister weigert terecht asiel aan Syriërs die seksuele handelingen verrichtten met minderjarigen
De minister van Asiel en Migratie heeft terecht geen asiel verleend aan vier Syrische mannen, omdat zij seksuele handelingen hebben verricht met minderjarigen binnen een zogenoemd ‘kindhuwelijk’. De minister heeft dit handelen terecht aangemerkt als een ‘ernstig niet-politiek misdrijf’, wat een grond is om asiel te weigeren. Dat oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in vier uitspraken van vandaag (1 juli 2026).
Achtergrond
Vier Syrische mannen hebben in Syrië en Turkije tussen 2010 en 2022 een zogenoemd ‘kindhuwelijk’ gesloten. De meisjes die aan de mannen werden uitgehuwelijkt, waren toen twaalf, dertien en veertien jaar oud. De mannen hebben seksuele handelingen met de meisjes verricht toen zij nog minderjarig waren. De minister heeft de mannen geen asiel verleend in Nederland, omdat hij hun daden aanmerkt als een zogenoemd ‘ernstig niet-politiek misdrijf’. De mannen vinden dat hun daden geen misdrijf zijn, onder meer omdat in veel landen in het Midden-Oosten een huwelijk tussen een meerderjarige en een minderjarige is toegestaan op grond van religieuze overtuigingen en dit in die landen normaal is.
Ernstig niet-politiek misdrijf
Op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag mag aan iemand die recht heeft op asiel dit toch worden geweigerd als diegene zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven, bijvoorbeeld oorlogsmisdaden en misdrijven tegen de menselijkheid. Maar ook bij ernstige niet-politieke misdrijven, zoals zedenmisdrijven, kan soms asiel worden geweigerd. Dan moeten de meeste landen van de wereld het er wel over eens zijn dat het gaat om een daad die is aan te merken als een ernstig niet-politiek misdrijf. Daarnaast moet de minister onder meer rekening houden met de aard van het misdrijf, de gevolgen voor het slachtoffer en de hoogte van de straf die op het misdrijf staat.
Oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak
De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat de Syrische mannen een ernstig niet-politiek misdrijf hebben gepleegd. Uit verschillende bronnen en uit informatie ontvangen van de UNHCR, volgt dat de meeste landen van de wereld het verrichten van seksuele handelingen met minderjarigen, zowel binnen als buiten een kindhuwelijk, aanmerken als een ernstig niet-politiek misdrijf. De minister heeft de mannen daarom terecht geen asiel verleend en de aard van het misdrijf op een juiste wijze betrokken in zijn beslissing.