Uitspraak 202503347/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3807
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 29 november 2023 heeft de minister voor Rechtsbescherming de aanvraag van [dochter] om haar geslachtsnaam te wijzigen in [naam moeder], de geslachtsnaam van haar [moeder], toegewezen. [dochter] heeft op 10 oktober 2023, toen zij al meerderjarig was, de minister verzocht om haar geslachtsnaam te wijzigen van [achternaam appellant] naar de naam van haar moeder. Ze wordt namelijk dagelijks geconfronteerd met haar verleden door haar achternaam. [dochter] heeft in haar verzoek toegelicht dat zij in haar jeugd trauma’s heeft opgelopen door met name de rol van de vader in het gezin. De minister heeft het verzoek van [dochter] toegewezen. [appellant] is het hier niet mee eens. De minister heeft in bezwaar de geslachtsnaamwijziging van [dochter] in stand gelaten. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister het verzoek van [dochter] terecht heeft ingewilligd. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er aanknopingspunten zouden zijn om te twijfelen aan de handelingsbekwaamheid van [dochter].
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202503347/1/A3.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 mei 2025 in zaak nr. 24/1849 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister voor Rechtsbescherming (nu: staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, hierna: de minister).
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2023 heeft de minister de aanvraag van [dochter] om haar geslachtsnaam te wijzigen in [naam moeder], de geslachtsnaam van haar [moeder], toegewezen.
Bij besluit van 20 februari 2024 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[dochter] heeft als derde-belanghebbende deelgenomen aan het geding en heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 mei 2026, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.H. Kazem, in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [dochter] heeft op 10 oktober 2023, toen zij al meerderjarig was, de minister verzocht om haar geslachtsnaam te wijzigen van [achternaam appellant] naar de naam van haar moeder. Ze wordt namelijk dagelijks geconfronteerd met haar verleden door haar achternaam. [dochter] heeft in haar verzoek toegelicht dat zij in haar jeugd trauma’s heeft opgelopen door met name de rol van de vader in het gezin. De minister heeft het verzoek van [dochter] toegewezen. [appellant] is het hier niet mee eens. De minister heeft in bezwaar de geslachtsnaamwijziging van [dochter] in stand gelaten.
Wettelijk kader
2. De relevante wettelijke bepalingen staan in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister het verzoek van [dochter] terecht heeft ingewilligd. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er aanknopingspunten zouden zijn om te twijfelen aan de handelingsbekwaamheid van [dochter]. Volgens [appellant] is haar verzoek een uiting van ouderverstoting en dat had de minister in de beoordeling van de verzoeken om geslachtsnaamwijziging moeten meewegen. Verder is bij [dochter] de autistische psychische stoornis MCDD (Multiple Complex Developmental Disorder) vastgesteld. Op de zitting bij de Afdeling heeft hij in dit kader nog aangevoerd dat deze diagnose ertoe leidt dat iemand geen weloverwogen rationele keuzes kan maken. Het besluit is onzorgvuldig, omdat de minister deze omstandigheden niet heeft meegenomen. [appellant] voert verder aan dat het enkele feit dat de naamswijziging voor meerderjarigen juridisch is toegestaan, niet betekent dat de minister dit verzoek ook moet toewijzen. Verder voorziet hij dat [dochter] spijt zal krijgen van haar verzoek tot geslachtsnaamwijziging en er een onomkeerbare identiteitsbreuk plaatsvindt. [appellant] voert ook aan dat hij psychische schade heeft als gevolg van het besluit tot geslachtsnaamwijzing van [dochter], namelijk uitsluiting, verdriet, machteloosheid en verlies. Tot slot voert [appellant] aan dat de rechtbank en de minister voorbij zijn gegaan aan zijn grond over artikel 6b en 7 van het Besluit geslachtsnaamwijziging (Besluit). In lijn met het beschermingsdoel van artikel 7 van het Besluit had onderzocht moeten worden of het toekennen van de geslachtsnaamwijziging zelf tot psychische schade zou kunnen leiden, aldus [appellant].
3.1. De minister moet een verzoek om geslachtsnaamswijziging beoordelen aan de hand van de van toepassing zijnde regelgeving en hij moet, als aan de voorwaarden is voldaan, bij de uitoefening van die bevoegdheid alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen betrekken. Gelet op de aard en de beoordeling van het verzoek, vindt bij de toetsing aan de voorwaarden en bij de belangenafweging geen beoordeling plaats van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat het kind bij de ouder woont in wiens geslachtsnaam wijziging is verzocht en met de andere ouder geen contact heeft. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2015, onder 5.
3.2. Op het moment dat [dochter] het verzoek deed, was zij meerderjarig. Zoals volgt uit de Nota van toelichting bij artikel 4 van het Besluit is in dat geval het verzoek van de meerderjarige in beginsel doorslaggevend. Dit betekent dat de minister een verzoek om naamswijziging van een meerderjarige toewijst, tenzij er aanwijzingen zijn dat het verzoek om naamwijziging niet in het belang van de meerderjarige is (zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3233). In dit geval is geen sprake van dergelijke aanwijzingen. [dochter] heeft het verzoek immers zelf ingediend en heeft in haar schriftelijke uiteenzetting nogmaals uitdrukkelijk haar wens tot wijziging van haar geslachtsnaam geuit. Ze heeft toegelicht dat ze nog dagelijks wordt geconfronteerd met haar verleden door haar achternaam. Er wordt daarom van uitgegaan dat [dochter] haar verzoek goed heeft doordacht. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat in lijn met het beschermingsdoel van artikel 6b en 7 van het Besluit onderzocht had moeten worden of het toekennen van de geslachtsnaamwijziging zelf tot psychische schade zou kunnen leiden, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken van omstandigheden die daartoe zouden kunnen leiden. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat [dochter] spijt zou kunnen krijgen van de geslachtsnaamwijziging, geldt dat de minister op de zitting bij de rechtbank al heeft toegelicht dat het mogelijk is om na een eerdere geslachtsnaamwijziging een geslachtsnaam te wijzigen wegens psychische hinder. Verder heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat [dochter] haar eigen wil niet kan vormen doordat bij haar de autistische psychische stoornis MCDD is vastgesteld. Ook heeft [appellant] met het overleggen van zijn aangifte van ouderverstoting bij de politie of de algemene literatuur over ouderverstoting niet aannemelijk gemaakt dat [dochter] haar eigen wil niet kan vormen. Daarbij kan de vraag of sprake is van ouderverstoting in deze procedure over de geslachtsnaamwijziging niet aan de orde komen (zie de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:638, onder 4). Subjectieve bezwaren van de ouder met de geslachtsnaam die wordt gewijzigd, zoals bezwaren die verband houden met verdriet, traditie of een symbolische band, spelen bij de beoordeling van een verzoek om geslachtsnaamswijziging geen rol. Gelet op het voorgaande heeft de minister het verzoek om geslachtsnaamswijziging mogen toewijzen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
3.3. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Westerbaan, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Westerbaan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
1050
BIJLAGE
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Artikel 7
1. De geslachtsnaam van een persoon kan op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.
[…]
5. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.
Besluit geslachtsnaamswijziging
Artikel 4
1. Op verzoek van een meerderjarige wordt zijn geslachtsnaam gewijzigd:
a. in een geslachtsnaam als bedoeld in artikel 3, eerste lid, indien de verzorging en opvoeding enige tijd gedurende de minderjarigheid hebben geduurd.
[…]
2. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt slechts ingewilligd indien het is ingediend binnen drie jaren nadat de meerderjarigheid is bereikt.