Uitspraak 202404049/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3800
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 april 2024 heeft de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân van de gemeente Súdwest-Fryslân het bestemmingsplan "SWF Oudega en Woudsend" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de wijziging van de voorheen op het perceel De Wearen 2 te Oudega (het perceel) geldende bestemming "Maatschappelijke Doeleinden" naar de bestemming "Wonen". Het perceel is momenteel in gebruik als evenemententerrein na de sloop van de school. [appellant] en anderen zijn het niet eens met de bestemmingsplanwijziging omdat ze vinden dat het evenemententerrein voorziet in een belangrijke behoefte, de gemeente toezeggingen gedaan heeft over het gebruik van het perceel, en omdat ze vrezen dat dit afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte aan het perceel een woonbestemming heeft toegekend omdat het evenemententerrein voorziet in een duidelijke behoefte binnen het dorp.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- RO - Friesland
Toon inhoud
202404049/1/R3.
Datum uitspraak: 1 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, wonend in Oudega, gemeente Súdwest-Fryslân,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2024 heeft de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân het bestemmingsplan "SWF Oudega en Woudsend" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 19 mei 2026, waar [appellant] en anderen, bij monde van [appellant], zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 22 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in de wijziging van de voorheen op het perceel De Wearen 2 te Oudega (het perceel) geldende bestemming "Maatschappelijke Doeleinden" naar de bestemming "Wonen". Het perceel is momenteel in gebruik als evenemententerrein na de sloop van de school.
[appellant] en anderen zijn het niet eens met de bestemmingsplanwijziging omdat ze vinden dat het evenemententerrein voorziet in een belangrijke behoefte, de gemeente toezeggingen gedaan heeft over het gebruik van het perceel, en omdat ze vrezen dat dit afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Behoefte aan evenemententerrein en bestemmingswijziging
4. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte aan het perceel een woonbestemming heeft toegekend omdat het evenemententerrein voorziet in een duidelijke behoefte binnen het dorp. Zij stellen daartoe dat sinds 2010 gezocht is naar een centrale locatie voor het organiseren van kleinschalige evenementen. Volgens [appellant] en anderen is deze behoefte uiteindelijk ingevuld met de realisatie van het evenemententerrein in 2017 op het perceel De Wearen 2 op de locatie van de voormalige school Klaver Fjouwer, welk initiatief destijds breed werd gedragen.
Volgens [appellant] en anderen vervult het evenemententerrein sindsdien een belangrijke maatschappelijke functie, doordat er jaarlijks uiteenlopende activiteiten plaatsvinden waar verschillende verenigingen binnen het dorp gebruik van maken. Gelet op deze functie achten [appellant] en anderen de bestemmingsplanwijziging van het evenemententerrein onwenselijk.
4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan bewust is gekozen voor een woonbestemming. Daarbij heeft de raad betrokken dat het evenemententerrein nog niet definitief kan worden ingepast. Het toekennen van een woonbestemming biedt volgens de raad meer duidelijkheid voor de toekomstige ontwikkeling van het perceel. Daarbij is verder geen bouwvlak opgenomen, zodat voor de realisatie van woningen nog een afzonderlijke planologische procedure nodig zal zijn. Volgens de raad zal uiterlijk in 2027 een definitief standpunt worden ingenomen over de toekomstige invulling van het perceel.
4.2. De Afdeling stelt vast dat uit de plantoelichting niet blijkt welke afweging de raad heeft gemaakt om de voorheen geldende bestemming "Maatschappelijke Doeleinden" te wijzigen, en waarom, gelet op het bestaande gebruik als evenemententerrein en de gestelde behoefte aan behoud van die functie, is gekozen voor een woonbestemming. Ook in het verweerschrift heeft de raad deze afweging niet inzichtelijk gemaakt. Daarentegen volgt uit het verweerschrift dat de raad pas in 2027 een definitief standpunt over de toekomstige invulling van het perceel wil innemen, omdat het perceel nu nog als evenemententerrein wordt verpacht en een definitieve inpassing nog niet mogelijk wordt geacht. Hieruit leidt de Afdeling af dat ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen concrete plannen voor de ontwikkeling van het perceel bestonden en dat evenmin een definitieve belangenafweging over de toekomstige bestemming van het perceel heeft plaatsgevonden.
Daarnaast blijkt niet uit de plantoelichting, de beantwoording van de zienswijze en het verweerschrift welke behoefte bestaat aan de kennelijk met het plan beoogde woningbouw. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad ervoor heeft gekozen niet op de zitting te verschijnen, waardoor een nadere toelichting op de concrete woonbehoefte, de door de raad gemaakte belangenafweging en de reden voor deze bestemmingswijziging is uitgebleven.
Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat aan het perceel weliswaar een woonbestemming is toegekend, maar dat binnen die bestemming geen bouwvlakken zijn opgenomen. Gelet op artikel 24.2.2, aanhef en onder b, van de planregels, dat bepaalt dat een hoofdgebouw binnen een bouwvlak wordt gebouwd, maakt het plan het niet mogelijk om op deze gronden woningen te bouwen. Zoals de raad in het verweerschrift ook heeft toegelicht, zou voor het realiseren van woningbouw eerst een afzonderlijke vergunning tot afwijking van het bestemmingsplan of een wijziging van het plan noodzakelijk zijn. Ook hieruit leidt de Afdeling af dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan nog geen concrete plannen voor woningbouw op het perceel aanwezig waren.
4.3. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat niet kenbaar is gebleken van een aan deze bestemmingswijziging ten grondslag te leggen belangenafweging en dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom aan het perceel een woonbestemming in de door hem gekozen vorm, is toegekend. Het plan is in zoverre dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering.
Het betoog slaagt.
5. Gelet op het oordeel onder 4.3 komt de Afdeling niet toe aan de bespreking van de overige gronden van [appellant] en anderen over de toezeggingen van de gemeente en de aantasting van het woon- en leefklimaat.
Conclusie
6. Gelet op wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat gaat over de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen", met betrekking tot het perceel De Wearen 2 in Oudega, is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre moet worden vernietigd.
7. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
8. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân van 18 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "SWF Oudega en Woudsend", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor zover dit betrekking heeft op het perceel De Wearen 2 in Oudega;
III. draagt de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;
IV. gelast dat de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lap
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026
288-1195