Uitspraak 202600033/2/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3467
- Datum uitspraak
- 17 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 november 2021 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor de uitbreiding van de productiecapaciteit van diervoeders van 275.000 ton per jaar naar 390.000 ton per jaar (geperste- en meelproducten). Op 14 juli 2017 heeft [appellante] een aanvraag gedaan voor een revisievergunning als bedoeld in artikel 2.6 van de Wabo, voor de inrichting aan de [locatie] in De Rips. De uitbreiding wordt gerealiseerd door een uitbreiding van het aantal werkbare uren met de bestaande maal-/menglijn en perslijnen die geoptimaliseerd worden. Bij besluit van 3 november 2021 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden. Bij uitspraak van 24 november 2025 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 3 november 2021 vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten onder wijziging van en aanvulling met een aantal voorschriften. [appellante] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
- Voorlopige voorziening
- Bouwen
Toon inhoud
202600033/2/R4.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in De Rips, gemeente Gemert-Bakel,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 november 2025 in zaken nrs. 21/3194 en 21/3339 in het geding tussen:
1. [wederpartij sub 1A] en [wederpartij sub 1B]
2. [wederpartij sub 2]
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.
Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2021 heeft het college aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor de uitbreiding van de productiecapaciteit van diervoeders van 275.000 ton per jaar naar 390.000 ton per jaar (geperste- en meelproducten).
Bij uitspraak van 24 november 2025 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 3 november 2021 vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten onder wijziging van en aanvulling met een aantal voorschriften.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [appellante] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[appellante] en [wederpartijen] hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 4 juni 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.L.M. de Jong, advocaat in Nijmegen, [gemachtigden] en het college, vertegenwoordigd door ing. H.L. van Aarle en ir. T.F.A.M. Teunissen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 14 juli 2017. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3. Op 14 juli 2017 heeft [appellante] een aanvraag gedaan voor een revisievergunning als bedoeld in artikel 2.6 van de Wabo, voor de inrichting aan de [locatie] in De Rips. Het betreft de uitbreiding van de productiecapaciteit van diervoeders van 275.000 ton per jaar naar 390.000 ton per jaar (geperste- en meelproducten). De uitbreiding wordt gerealiseerd door een uitbreiding van het aantal werkbare uren met de bestaande maal-/menglijn en perslijnen die geoptimaliseerd worden.
Bij besluit van 3 november 2021 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden.
Bij uitspraak van 24 november 2025 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 3 november 2021 vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten onder wijziging van en aanvulling met een aantal voorschriften.
[appellante] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek om voorlopige voorziening
4. Het verzoek strekt tot schorsing van de in hoger beroep bestreden voorschriften 5.3.4, 5.3.7 en 5.3.8, die de rechtbank aan de omgevingsvergunning heeft verbonden, zolang niet op het hoger beroep is beslist, het tijdelijk schorsen van voorschrift 5.3.9 totdat het geluidscherm is gerealiseerd en het wijzigen van voorschrift 5.3.11.
Beoordeling van het verzoek
5. De voorzieningenrechter zal het verzoek beoordelen aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. Dat betekent dat de voorzieningenrechter een inschatting maakt of de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure in stand zal blijven. Als de voorzieningenrechter in de hoger beroepsgronden van [appellante] redenen vindt voor gerede twijfel aan de uitspraak van de rechtbank, dan kan dat aanleiding zijn om de gevraagde voorziening toe te wijzen.
Voorschrift 5.3.4
6. [appellante] betoogt dat het door de rechtbank aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift 5.3.4 te rigide en verstrekkend is geformuleerd. De formulering laat ten onrechte geen ruimte voor calamiteiten of overmachtssituaties zoals brand en evacuatie, waarbij poort 1 geopend moet worden.
6.1. Voorschrift 5.3.4 luidt:
"In de nachtperiode, van 23:00 uur tot 06:00 uur, moet poort 1 (aan de Ripsestraat) gesloten zijn en blijven. Tussen 06:00 uur en 07:00 uur mag poort 1 open ten behoeve van het parkeren van vrachtwagens ten oosten van de rode aanduiding op het verharde terrein van de inrichting."
6.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorschrift 5.3.4 te verstrekkend geformuleerd, nu dit voorschrift geen ruimte biedt voor een uitzondering wanneer zich een gebeurtenis voordoet die kan worden gelijkgesteld met een ongewoon voorval zoals bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Onder ongewoon voorval wordt verstaan: een gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, ongeluk, calamiteit, waardoor significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. Daarnaast volgt uit voorschrift 5.3.4 ten onrechte niet dat poort 1 te allen tijde mag worden geopend ten behoeve van de politie, brandweer en ambulancezorg.
Het betoog slaagt.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om voorschrift 5.3.4 aan te passen op de wijze zoals in de beslissing is opgenomen.
7. [appellante] kan zich niet verenigen met het door de rechtbank aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift 5.3.7 waarin is vermeld dat na 23:00 uur geen voertuigbewegingen mogen plaatsvinden ten noorden van de noordgevel van het bedrijfsgebouw, met uitzondering van twee vrachtwagens die tot 24:00 uur mogen rijden ten westen van het rood aangeduide verharde terrein van de inrichting.
Volgens [appellante] is beoogd uitsluitend vrachtwagenbewegingen in de nachtperiode te beperken. De term "voertuigbewegingen" ziet volgens [appellante] echter ook op bewegingen van personenauto’s. Dit leidt tot het ongewenste gevolg dat de op het noordelijke terrein aanwezige parkeerplaatsen door het personeel niet kunnen worden gebruikt in de nachtperiode.
7.1. Voorschrift 5.3.7 luidt:
"In de nachtperiode is het terrein van de inrichting, van 23:00 uur tot 07:00 uur, uitsluitend toegankelijk via de poort aan de Burgemeester Wijtvlietlaan, waarbij maximaal twee vrachtwagens grondstoffen mogen aanvoeren tussen 06:00 en 07:00 uur en de resterende vrachtwagens in één beweging moeten parkeren aan de westzijde van het bedrijfsgebouw. Na 23:00 uur mogen geen voertuigbewegingen plaatsvinden ten noorden van de noordgevel van het bedrijfsgebouw met uitzondering van twee vrachtwagens die tot 24:00 uur mogen rijden ten westen van het rood aangeduide verharde terrein van de inrichting."
7.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [appellante] terecht aangevoerd dat de term "voertuigbewegingen" in voorschrift 5.3.7 te ruim is geformuleerd, nu is beoogd uitsluitend vrachtwagenbewegingen in de nachtperiode te beperken.
Het betoog slaagt.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om voorschrift 5.3.7 aan te passen op de wijze zoals in de beslissing is opgenomen.
8. Verder betoogt [appellante] dat het door de rechtbank aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift 5.3.8 te verstrekkend is.
[appellante] wijst er in dat verband op dat zij geen invloed heeft op het gebruik van achteruitrijsignalering door bijvoorbeeld externe, niet vaste transporteurs of gemeentelijke ophaaldiensten. Daarnaast is het volgens [appellante] bij bepaalde typen vrachtwagens niet mogelijk om de achteruitrijsignalering uit te schakelen. Volgens [appellante] ligt het voor de hand dat gelet hierop overtredingen zullen plaatsvinden en dat is voor haar onevenredig bezwarend, te meer nu voorschrift 5.3.8. niet noodzakelijk is om aan de geluidgrenswaarden te kunnen voldoen.
8.1. Voorschrift 5.3.8 luidt:
"Er mag binnen de inrichting geen gebruik worden gemaakt van transportmiddelen met een hoorbare achteruitrijsignalering tenzij dit gebruik in de toekomst wettelijk verplicht is en er geen alternatieven zijn."
8.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorschrift 5.3.8 onuitvoerbaar, nu de achteruitrijsignalering van sommige vrachtwagens niet kan worden uitgeschakeld en [appellante] geen invloed heeft op het gebruik van achteruitrijsignalering door alle chauffeurs die op haar terrein komen.
Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat uit berekeningen van Peutz van 1 juni 2026 van de maximale geluidniveaus LAmax volgt dat het achteruitrijden met signalering ook zonder geluidscherm voldoet aan de geldende geluidgrenswaarden.
Het betoog slaagt.
De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande aanleiding om voorschrift 5.3.8. geheel te schorsen.
9. [appellante] betoogt dat naleving van het door de rechtbank aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift 5.3.9 vóór 24 mei 2026 feitelijk onmogelijk was. Het voorschrift bepaalt dat op 24 mei 2026 een geluidscherm moet zijn opgericht. De vergunning voor het realiseren van het geluidscherm is echter pas verleend op 9 april 2026 en de bezwaartermijn verstreek op 22 mei 2026. Vanwege de hoge kosten van de realisatie van een geluidscherm was het financieel niet verantwoord om het geluidscherm te bouwen voor het verstrijken van de bezwaartermijn. Overtreding van het voorschrift is daarom onvermijdelijk, aldus [appellante].
9.1. Voorschrift 5.3.9 luidt:
"Vergunninghoudster moet een minimaal 3 meter hoog geluidscherm plaatsen aan de noordzijde en oostzijde (tot de zuidgrens van het perceel Ripsestraat 7) van de inrichting binnen 6 maanden na dagtekening van deze uitspraak. Vergunninghoudster mag een minimaal gelijkwaardige voorziening plaatsen binnen genoemde termijn, waaronder begrepen een geluidwal met geluidscherm hoger dan 3 meter, na schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag. Deze schriftelijke goedkeuring moet op de voorgeschreven wijze bekend worden gemaakt en moet worden toegezonden aan alle omwonenden."
9.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat [appellante] op zitting heeft aangegeven zich niet langer op het standpunt te stellen dat het plaatsen van het geluidscherm op zichzelf disproportioneel is.
[appellante] is voornemens een geluidscherm te laten plaatsen overeenkomstig de eisen die in voorschrift 5.3.9 zijn vermeld.
Op zitting is komen vast te staan dat de aanvraag voor het bouwen van het geluidscherm op 15 januari 2026 is gedaan en dat deze geruime tijd niet door het bevoegd gezag is behandeld. Pas op 9 april 2026 is positief op de aanvraag beslist. De bezwaartermijn liep af op 22 mei 2026.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet van [appellante] kon worden verwacht dat het geluidscherm al voor afloop van de bezwaartermijn zou worden gerealiseerd. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de kosten van de realisatie van het geluidscherm € 195.000,00 bedragen. Verder heeft [appellante] aangegeven dat rekening moet worden gehouden met levertijden en de bouwvak. Naar verwachting zal het geluidscherm in verband daarmee niet eerder dan op24 oktober 2026 zijn gerealiseerd. Deze termijn komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor.
Het betoog slaagt. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om voorschrift 5.3.9 aan te passen op de wijze zoals in de beslissing is opgenomen.
10. [appellante] wijst er ten slotte op dat in het door de rechtbank aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift 5.3.11 staat dat binnen zes maanden na dagtekening van de rechtbankuitspraak door [appellante] door middel van een akoestisch onderzoek aan het bevoegd gezag moet worden aangetoond dat aan de geluidsvoorschriften van de vergunning wordt voldaan. Volgens [appellante] ligt het voor de hand het nog te realiseren geluidscherm mee te nemen in het geluidonderzoek. Om die reden verzoekt [appellante] het voorschrift te wijzigen in die zin dat het geluidonderzoek drie maanden nadat het geluidscherm is geplaatst moet zijn uitgevoerd.
10.1. Voorschrift 5.3.11 luidt:
"De inrichting moet in werking zijn in overeenstemming met het akoestische rapport "[naam appellante] te De Rips. Geluid in de omgeving: actualisatie 2023" van Peutz van 20 juli 2023. De eerste volzin van voorschrift 5.1.5. wordt als volgt gewijzigd: "Binnen 6 maanden na dagtekening van deze uitspraak moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidsvoorschriften van deze vergunning wordt voldaan."
10.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank kennelijk heeft beoogd de termijn van het doen uitvoeren van het geluidonderzoek te koppelen aan de termijn van realisatie van het geluidscherm, zodat de effecten van het geluidscherm in het geluidonderzoek worden meegenomen. Nu de voorzieningenrechter de termijn voor de realisatie van het geluidscherm bij wijze van voorlopige voorziening aanpast tot uiterlijk 24 oktober 2026, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de termijn waarbinnen de vergunninghouder door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage) aan het bevoegd gezag dient aan te tonen dat aan de geluidsvoorschriften van deze vergunning wordt voldaan, te stellen op drie maanden na afloop van de termijn die de voorzieningenrechter in deze uitspraak ten aanzien van voorschrift 5.3.9 heeft gesteld.
Het betoog slaagt.
11. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
12. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat voorschrift 5.3.4. dat de rechtbank aan de omgevingsvergunning heeft verbonden, als volgt komt te luiden:
"In de nachtperiode, van 23:00 uur tot 06:00 uur, moet poort 1 (aan de Ripsestraat) gesloten zijn en blijven. Tussen 06:00 uur en 07:00 uur mag poort 1 open ten behoeve van het parkeren van vrachtwagens ten oosten van de rode aanduiding op het verharde terrein van de inrichting. Poort 1 mag te allen tijde worden geopend indien dat noodzakelijk is om politie, brandweer en/of ambulancezorg toegang te verschaffen dan wel indien sprake is van een ongewoon voorval als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1. van de Omgevingswet.";
II. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat voorschrift 5.3.7 dat de rechtbank aan de omgevingsvergunning heeft verbonden, als volgt komt te luiden:
"In de nachtperiode is het terrein van de inrichting, van 23:00 uur tot 07:00 uur, uitsluitend toegankelijk via de poort aan de Burgemeester Wijtvlietlaan, waarbij maximaal twee vrachtwagens grondstoffen mogen aanvoeren tussen 06:00 en 07:00 uur en de resterende vrachtwagens in één beweging moeten parkeren aan de westzijde van het bedrijfsgebouw. Na 23:00 uur mogen geen vrachtwagenbewegingen plaatsvinden ten noorden van de noordgevel van het bedrijfsgebouw met uitzondering van twee vrachtwagens die tot 24:00 uur mogen rijden ten westen van het rood aangeduide verharde terrein van de inrichting.";
III. schorst bij wijze van voorlopige voorziening voorschrift 5.3.8 dat de rechtbank aan de omgevingsvergunning heeft verbonden;
IV. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat voorschrift 5.3.9 dat de rechtbank aan de omgevingsvergunning heeft verbonden, als volgt komt te luiden:
"Vergunninghoudster moet uiterlijk op 24 oktober 2026 een minimaal drie meter hoog geluidscherm plaatsen aan de noordzijde en oostzijde (tot de zuidgrens van het perceel Ripsestraat 7) van de inrichting. Vergunninghoudster mag een minimaal gelijkwaardige voorziening plaatsen binnen genoemde termijn, waaronder begrepen een geluidwal met geluidscherm hoger dan drie meter, na schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag. Deze schriftelijke goedkeuring moet op de voorgeschreven wijze bekend worden gemaakt en moet worden toegezonden aan alle omwonenden.";
V. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat voorschrift 5.3.11 dat de rechtbank aan de omgevingsvergunning heeft verbonden, als volgt komt te luiden:
"De inrichting moet in werking zijn in overeenstemming met het akoestische rapport "[naam appellante] te De Rips. Geluid in de omgeving: actualisatie 2023" van Peutz van 20 juli 2023. De eerste volzin van voorschrift 5.1.5. wordt als volgt gewijzigd: "Binnen drie maanden na 24 oktober 2026 moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidsvoorschriften van deze vergunning wordt voldaan.";
VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.968,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 596,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.
w.g. De Groot
voorzieningenrechter
w.g. Melenhorst
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
490