Uitspraak 202601264/3/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3389
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 februari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Weert het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen het gebruik van het parkeerterrein aan de Parallelweg in Weert als tijdelijk busstation afgewezen. [verzoeker] woont aan de [locatie] in Weert. Tegenover zijn woning ligt aan de andere zijde van de Parallelweg een parkeerterrein. De gronden van het parkeerterrein liggen in het plangebied van de bestemmingsplannen "Woongebieden 2019" en "Binnenstad 2017". In beide bestemmingsplannen is aan de gronden van het parkeerterrein een verkeersbestemming toegekend. In het verzoek om handhaving waarmee deze procedure begonnen is, stelt [verzoeker] dat de NS sinds enige jaren het parkeerterrein inricht als een tijdelijk busstation als er door werkzaamheden aan het spoor geen personenvervoer per trein door Weert mogelijk is. Volgens [verzoeker] ondervindt hij ernstige milieuhinder om zijn woning door dit gebruik, met name geluidhinder en een afname van de luchtkwaliteit door fijnstof afkomstig van de dieselmotoren van de bussen.
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202601264/3/R1.
Datum uitspraak: 11 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende de hoger beroepen van onder meer:
1. [verzoeker], wonend in Weert,
2. het college van burgemeester en wethouders van Weert,
verzoekers,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 maart 2026 in zaak nr. 25/1575 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Weert.
Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 2025 heeft het college het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen het gebruik van het parkeerterrein aan de Parallelweg in Weert als tijdelijk busstation afgewezen.
Bij besluit van 10 juni 2025 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 maart 2026 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 juni 2025 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van [verzoeker] te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben het college, NS Vastgoed B.V. en [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Daarnaast hebben het college en [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
NS Vastgoed B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken behandeld op de zitting van 28 mei 2026, waar [verzoeker], het college, vertegenwoordigd door mr. P.A.P.J. Hecker, S. van Mensvoort en A.A.M. Verkoost zijn verschenen. Voorts is NS Vastgoed B.V. (hierna: de NS), vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Overgangsrecht
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van de hoger beroepen blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
3. [verzoeker] woont aan de [locatie] in Weert. Tegenover zijn woning ligt aan de andere zijde van de Parallelweg een parkeerterrein. De gronden van het parkeerterrein liggen in het plangebied van de bestemmingsplannen "Woongebieden 2019" en "Binnenstad 2017". In beide bestemmingsplannen is aan de gronden van het parkeerterrein een verkeersbestemming toegekend.
4. In het verzoek om handhaving waarmee deze procedure begonnen is, stelt [verzoeker] dat de NS sinds enige jaren het parkeerterrein inricht als een tijdelijk busstation als er door werkzaamheden aan het spoor geen personenvervoer per trein door Weert mogelijk is. Volgens [verzoeker] ondervindt hij ernstige milieuhinder om zijn woning door dit gebruik, met name geluidhinder en een afname van de luchtkwaliteit door fijnstof afkomstig van de dieselmotoren van de bussen. Hij stelt verder dat beide bestemmingsplannen het gebruik van het parkeerterrein voor treinvervangend busvervoer niet toestaan en dat daarom sprake is van een overtreding op grond van die bestemmingsplannen.
5. Dat het college het handhavingsverzoek van [verzoeker] heeft afgewezen is omdat volgens het college de bestemming "Verkeer" in de twee bestemmingsplannen niet in de weg staat aan het gebruik van het parkeerterrein als stopplaats voor het treinvervangend busvervoer.
Uitspraak van de rechtbank
6. De rechtbank heeft onder 5.8 van haar uitspraak geoordeeld dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat bij het gebruik van het parkeerterrein voor het treinvervangend busvervoer geen sprake is van een openbaar vervoerstation. Volgens de rechtbank is er daarom sprake van een overtreding van het bestemmingsplan "Woongebieden 2019". Dat plan staat namelijk alleen ter plaatse van de gronden met de aanduiding ‘openbaar vervoerstation’ een openbaar vervoerstation toe en die aanduiding is hier niet opgenomen.
Verder heeft de rechtbank onder 6.1 van haar uitspraak geoordeeld dat het gebruik van een openbaar vervoerstation niet onder de functie opgenomen in artikel 10.1.1, onderdelen a tot en met g, van de planregels van het bestemmingsplan "Binnenstad 2017" kan worden geschaard. Volgens de rechtbank overstijgt het gebruik de omschrijving van artikel 10.1.1, onder a, van de regels van dat plan over de voorzieningen voor het wegverkeer en voorzieningen voor algemeen nut, omdat het gebruik (en dat van de voorzieningen) in onderlinge samenhang bezien moeten worden.
Verzoeken om voorlopige voorziening
7. Het college heeft de voorzieningenrechter gevraagd om de voorlopige voorziening te treffen dat de uitspraak van de rechtbank wordt geschorst en het college geen nieuw besluit hoeft te nemen totdat de Afdeling op de hoger beroepen heeft beslist. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter gevraagd om met een voorlopige voorziening te verbieden om het parkeerterrein aan de Parallelweg en die weg zelf in te zetten voor treinvervangend busvervoer en aan dat verbod een dwangsom te verbinden.
Beoordeling van de verzoeken
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening.
De rechtbank heeft het college de opdracht gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Het instellen van hoger beroep heeft geen schorsende werking zodat alleen door een te treffen voorlopige voorziening kan worden bereikt dat het college geen nieuw besluit hoeft te nemen. De voorzieningenrechter overweegt dat het uitgangspunt is dat rechterlijke uitspraken moeten worden uitgevoerd, waardoor het college in beginsel een nieuw besluit moet nemen dat met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden beoordeeld in het kader van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Indien de Afdeling naar aanleiding van de behandeling van de hoofdzaak tot het oordeel zou komen dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan worden gelaten, kan het nieuwe besluit ook worden vernietigd. Dat betekent dat wat het college vraagt verstrekkend is.
8.1. Toch ziet de voorzieningenrechter aanleiding om in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken. De uitspraak van de rechtbank laat het college weinig ruimte. Het oordeel van de rechtbank is tenslotte dat het gebruik van het parkeerterrein valt onder "openbaar vervoerstation" en dat is in het bestemmingsplan "Woongebieden 2019" alleen toegestaan als daarvoor op die plek een aanduiding is opgenomen in de verbeelding. Dat is zoals gezegd niet het geval. Als het college in afwachting van de uitspraak op de hoger beroepen moet uitgaan van dat oordeel in het nieuwe besluit op het bezwaar van [verzoeker] is voortzetting van het huidige gebruik van het parkeerterrein de komende tijd zo goed als onmogelijk. En omgekeerd, als het huidige gebruik van het parkeerterrein niet valt onder de aanduiding "openbaar vervoerstation" ligt voortzetting daarvan juist wel in de rede. Het college en NS Vastgoed B.V. hebben toegelicht dat die keuze voor wel of niet voortzetting van het gebruik directe gevolgen voor NS Vastgoed B.V. heeft, waaronder de verstoring van operationele processen in het openbaar vervoer. Dan kan alleen het busstation Weert worden gebruikt voor het treinvervangend busvervoer. Dit busstation heeft een veel beperktere capaciteit voor het verwerking van het busverkeer dan het parkeerterrein. En dat heeft weer tot gevolg dat indien doordeweeks het treinvervangend busvervoer op dit busstation moet worden ingezet, er geen ruimte is voor snelbusverbindingen om daar te stoppen en mensen in en uit te laten stappen. De snelbusverbindingen moeten in die situatie daarom worden geannuleerd, met als gevolg langere reis- en wachttijden voor reizigers. Verder hebben het college en NS Vastgoed B.V. erop gewezen dat bij gebruik van het parkeerterrein voor treinvervangend busvervoer de reizigersstromen beter kunnen worden gescheiden. Reizigers die vanaf Weert gebruik maken van het treinvervangend busvervoer, stappen dan immers in op het parkeerterrein, terwijl reizigers die gebruik maken van het treinvervangend busvervoer naar Weert, uitstappen op het busstation. Deze scheiding van reizigersstromen komt de veiligheid ten goede.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat verstrekkende gevolgen te verwachten zijn als uitvoering moet worden gegeven aan de uitspraak van de rechtbank.
9. De vraag of het huidige gebruik van het parkeerterrein kort gezegd wel of niet valt binnen de mogelijkheden van de verkeersbestemmingen is een principiële vraag. De beantwoording van die vraag vergt nader onderzoek. Daarvoor leent de voorlopige-voorzieningenprocedure zich niet. De voorzieningenrechter zal zich daarom in deze voorlopige-voorzieningenuitspraak beperken tot een belangenafweging.
De voorzieningenrechter heeft oog voor het belang van [verzoeker] om gevrijwaard te blijven van milieuhinder die door de inzet van het treinvervangend busvervoer wordt veroorzaakt. Maar dat belang weegt toch minder dan het belang van het college bij een goede doorstroming van het openbaar reizigersvervoer, zoals hiervoor onder 8.1 is geschetst. Bepalend voor dat oordeel is dat het treinvervangend busvervoer gemiddeld slechts 12 dagen per jaar wordt ingezet op het parkeerterrein. Bovendien heeft NS Vastgoed B.V. verklaard dat diverse maatregelen worden getroffen om de overlast van het treinvervangend busvervoer op het parkeerterrein voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken, zoals met de inzet van elektrische bussen waardoor sprake is van minder uitstoot van CO². Daarom mag alles bij elkaar genomen het huidige gebruik van het parkeerterrein worden voortgezet in afwachting van de beantwoording van de hiervoor genoemde principiële vraag in de uitspraken op de hoger beroepen.
Conclusie
10. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek van het college toe te wijzen en de uitspraak van de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Dit betekent dat het college geen nieuw besluit hoeft te nemen in afwachting van de uitspraak van de Afdeling in de hoofdzaak. Dat betekent ook dat het verzoek van [verzoeker] om dezelfde redenen wordt afgewezen.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek van het college toe;
II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 maart 2026 in zaak nr. 25/1575;
III. wijst het verzoek van [verzoeker] af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Tieleman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026
817