Uitspraak BRS.25.001230
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3313
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001230
ECLI:NL:RVS:2026:3313
Datum uitspraak: 11 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [betrokkene],
appellanten,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 27 augustus 2025 in zaak nr. NL25.30165 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.
Bij mondelinge uitspraak van 27 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene is geboren op [geboortedatum] 2004 en hij heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij heeft op 11 november 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, nader uitgewerkt in artikel 3.45b, eerste lid, van het VV 2000.
1.1. Tijdens het nader gehoor op 25 juni 2025 was er een Dari sprekende tolk aanwezig, zoals betrokkene had verzocht. Betrokkene heeft in het nader gehoor geweigerd om vragen te beantwoorden, omdat de aanwezige tolk geen Afghaanse achtergrond had. Volgens de minister heeft betrokkene hiermee nagelaten om te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
1.2. De rechtbank heeft overwogen dat betrokkene, ondanks meerdere adviezen om mee te werken, niet heeft meegewerkt aan het nader gehoor. Volgens de rechtbank zijn er in dit geval geen verschoonbare redenen voor het niet meewerken aan het nader gehoor. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het nader gehoor één informatieverzoek is als bedoeld in artikel 3.45b, eerste lid, van het VV 2000 en dat van een tweede informatieverzoek niet is gebleken. Om die reden is volgens de rechtbank niet voldaan aan artikel 3.45b, eerste lid, van het VV 2000 en heeft de minister ten onrechte de asielaanvraag van betrokkene buiten behandeling gesteld.
1.3. Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Hoger beroep van de minister
2. De enige grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister ten onrechte de asielaanvraag buiten behandeling heeft gesteld. De minister betoogt dat de rechtbank artikel 3.45b, eerste lid, van het VV 2000 onjuist heeft toegepast. Volgens de minister kunnen meerdere informatieverzoeken in één gehoor plaatsvinden, wanneer een vreemdeling tijdens dat gehoor meerdere keren weigert om vragen te beantwoorden. Gelet op de gang van zaken in het nader gehoor, is in dit geval voldaan aan artikel 3.45b, eerste lid, van het VV 2000, aldus de minister.
2.1. Artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is een implementatie van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn. In artikel 28, eerste lid, van de Procedurerichtlijn staat dat lidstaten met het oog op de uitvoering van deze bepaling richtsnoeren kunnen uitvaardigen. In Stcrt. 2015, 20705, blz. 5, staat dat artikel 3.45b, eerste lid, van het VV 2000 een nadere invulling geeft aan de buitenbehandelingstelling van asielaanvragen op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Omdat in laatstgenoemd artikelonderdeel de zinsnede ‘nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken’ staat, is in artikel 3.45b, eerste lid, van het VV 2000 opgenomen dat een vreemdeling twee keer niet moet hebben voldaan aan zijn verplichting om informatie te verstrekken. Partijen verschillen erover van mening of in dit geval is voldaan aan de vereisten van artikel 3.45b, eerste lid, van het VV 2000.
2.2. De minister betoogt in de eerste plaats tevergeefs dat het niet van belang is of hij een of meerdere informatieverzoeken heeft gedaan, omdat doorslaggevend is of een vreemdeling herhaaldelijk heeft geweigerd om informatie te verstrekken. De Afdeling wijst erop dat in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn en artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 het woord ‘verzoeken’ staat. Voor de buitenbehandelingstelling van een asielaanvraag op grond van die artikelonderdelen is dus vereist dat de minister meer dan één informatieverzoek heeft gedaan.
2.3. De minister heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld op de voet van artikel 3.45b, eerste lid, van het VV 2000. Dat mag als de vreemdeling twee keer in de gelegenheid is gesteld om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag en dat heeft verzuimd. Het meerdere keren niet beantwoorden van vragen voldoet daaraan niet. De minister betoogt dan ook tevergeefs dat er meerdere informatieverzoeken in één nader gehoor kunnen plaatsvinden. Dat standpunt strookt ook niet met zijn beleid. In paragraaf C2/8 van de Vc 2000 staat daarover onder meer dat, als een vreemdeling, na daartoe ten minste tweemaal uitgenodigd te zijn, niet op het aanmeldgehoor verschijnt en toerekenbaar heeft nagelaten om te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken over de elementen ter staving van zijn aanvraag, de minister gebruik kan maken van de bevoegdheid om de asielaanvraag buiten behandeling te stellen. De Afdeling ziet hierin een bevestiging dat ook een nader gehoor één informatieverzoek is en dat het meerdere keren niet beantwoorden van vragen gedurende een gehoor op zichzelf niet kan leiden tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag. Bovendien staat in artikel 3.113, eerste lid, van het Vb 2000 dat een vreemdeling bij het afnemen van het nader gehoor in de gelegenheid wordt gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van zijn asielaanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren. Een nader gehoor heeft dus als geheel het doel om een vreemdeling de mogelijkheid te bieden om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn asielaanvraag. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het nader gehoor één informatieverzoek is als bedoeld in artikel 3.45b, eerste lid, van het VV 2000.
2.4. Het voorgaande betekent dat de minister betrokkene na het nader gehoor van 25 juni 2025 een tweede gelegenheid tot het verstrekken van informatie had moeten bieden, voordat de minister de asielaanvraag buiten behandeling had mogen stellen op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Betrokkene heeft in de correcties en aanvullingen op het rapport van het nader gehoor ook uitdrukkelijk om een herstelmogelijkheid verzocht. Nog daargelaten of het voornemen een tweede informatieverzoek zou kunnen zijn, zoals in paragraaf C2/8 van de Vc 2000 staat, is dat in dit geval in ieder geval niet als zodanig aan te merken. De minister heeft zich in het voornemen namelijk op het standpunt gesteld dat hij het verzoek van betrokkene om een nader gehoor niet honoreert en dat betrokkene voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn verhaal te doen. Hij heeft betrokkene daarom bij dit voornemen niet in de gelegenheid gesteld om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag. De voornemenprocedure geldt daarom in dit geval dus niet als tweede informatieverzoek als bedoeld in artikel 3.45b, eerste lid, van het VV 2000.
2.5. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het nader gehoor van 25 juni 2025 het eerste informatieverzoek is en dat van een tweede informatieverzoek niet is gebleken. De minister heeft de asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, nader uitgewerkt in artikel 3.45b, eerste lid, van het VV 2000. De grief slaagt niet.
3. Uit het voorgaande volgt dat er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag of de minister meerdere informatieverzoeken moet hebben gedaan voordat hij een asielaanvraag buiten behandeling mag stellen. Voor het overige roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene
4. Zoals volgt uit artikel 8:110, tweede lid, van de Awb, gelezen in combinatie met artikel 83c, derde lid, en artikel 69, tweede lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, wordt het incidenteel hoger beroep ingesteld binnen een week nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden. In dit geval heeft de Afdeling bij brief van 4 september 2025 de gronden van het hoger beroep aan betrokkene verzonden. In deze brief staat dat betrokkene tot en met 11 september 2025 de gelegenheid heeft om een schriftelijke uiteenzetting te geven en, indien gewenst, een incidenteel hogerberoepschrift in te dienen. Betrokkene heeft op 23 september 2025 een incidenteel hogerberoepschrift ingediend. Het incidenteel hogerberoepschrift is daarom niet tijdig ingediend.
4.1. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Het ontvankelijk achten van een te laat gemaakt bezwaar of ingesteld beroep is alleen maar mogelijk als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indieners in verzuim zijn geweest. Als eenmaal is vastgesteld dat het bezwaar- of beroepschrift niet tijdig is ingediend en vervolgens wordt geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, moet het rechtsmiddel niet-ontvankelijk worden verklaard. Bij de toepassing van artikel 6:11 van de Awb gaat het namelijk om een gebonden bevoegdheid. Zie de uitspraak van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, onder 2.1 tot en met 2.3. Op grond van artikel 6:24 van de Awb is artikel 6:11 van overeenkomstige toepassing indien incidenteel hoger beroep kan worden ingesteld.
4.2. Volgens betrokkene is de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar, omdat de Afdeling bij brief van 8 september 2025 uitstel heeft verleend voor het indienen van een schriftelijke uiteenzetting. Betrokkene heeft dit naar eigen zeggen ook mogen opvatten als het verlenen van uitstel voor het indienen van een incidenteel hogerberoepschrift.
4.3. De Afdeling volgt betrokkene niet in zijn betoog dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Betrokkene heeft niet verzocht om uitstel voor het instellen van incidenteel hoger beroep. Hij heeft in zijn brief van 5 september 2025 verzocht om uitstel voor het indienen van een schriftelijke uiteenzetting. De Afdeling heeft in de brief van 8 september 2025 daarop gereageerd en heeft uitstel verleend voor het indienen van een schriftelijke uiteenzetting tot en met 23 september 2025. Betrokkene mocht er alleen al daarom niet van uitgaan dat de Afdeling hem uitstel heeft verleend voor het indienen van een incidenteel hogerberoepschrift. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4673, onder 5 tot en met 5.4.
4.4. Gelet op het voorgaande is de termijnoverschrijding voor het instellen van het incidenteel hoger beroep niet verschoonbaar. Alleen al omdat de minister een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag van betrokkene doen zich geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is niet-ontvankelijk.
Conclusie
5. Het hoger beroep van de minister is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is niet-ontvankelijk. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026
1028
BIJLAGE
Procedurerichtlijn
Artikel 28
1. Wanneer er een gegronde reden is om aan te nemen dat verzoeker zijn verzoek impliciet heeft ingetrokken of dat hij impliciet van dit verzoek heeft afgezien, zorgen de lidstaten ervoor dat de beslissingsautoriteit beslist om hetzij de behandeling van het verzoek te beëindigen ofwel, mits zij het verzoek op basis van een toereikend onderzoek ten gronde overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2011/95/EU als ongegrond beschouwt, het verzoek af te wijzen.
De lidstaten kunnen met name aannemen dat de verzoeker zijn verzoek om internationale bescherming impliciet heeft ingetrokken of dat hij er impliciet van heeft afgezien wanneer is vastgesteld dat:
a) hij heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn verzoek zoals bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2011/95/EU, dan wel dat hij niet is verschenen voor een persoonlijk onderhoud zoals bedoeld in de artikelen 14 tot en met 17 van deze richtlijn, tenzij hij binnen een redelijke tijd aantoont dat zulks te wijten was aan omstandigheden waarop hij geen invloed heeft;
[…]
De lidstaten kunnen met het oog op de uitvoering van deze bepalingen termijnen vaststellen of richtsnoeren uitvaardigen.
[…]
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 30c
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan buiten behandeling worden gesteld in de zin van artikel 28 van de Procedurerichtlijn, indien:
a) de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag;
[…]
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 3.113
1. Op de eerste dag wordt de vreemdeling door Onze Minister aan een nader gehoor onderworpen. Bij het afnemen van het nader gehoor wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van zijn aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.
Voorschrift Vreemdelingen 2000
Artikel 3.45b
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, kan met toepassing van artikel 30c, eerste lid, onder a, van de Wet buiten behandeling worden gesteld, nadat de vreemdeling twee keer in de gelegenheid is gesteld om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag en heeft verzuimd die informatie te verstrekken.
Vreemdelingencirculaire 2000
Paragraaf C2/8
De IND kan een aanvraag op alle momenten na de indiening daarvan buiten behandeling stellen, indien:
1. de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken over de elementen ter staving van zijn aanvraag, bedoeld in artikel 31, tweede en derde lid, Vw;
[…]
Wanneer de vreemdeling, na daartoe ten minste tweemaal uitgenodigd te zijn, niet op het aanmeldgehoor verschijnt en toerekenbaar heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken over de elementen ter staving van zijn aanvraag (zie artikel 3.45b, eerste lid, Voorschrift Vreemdelingen) kan de IND gebruik maken van de bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen op grond van artikel 30c, eerste lid onder a, Vw. De IND brengt een daartoe strekkend voornemen uit en maakt daarin kenbaar dat is geconstateerd dat de vreemdeling toerekenbaar heeft nagelaten om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag.
[…]
Het voornemen geldt als een tweede verzoek om informatie als bedoeld in artikel 3.45b, eerste lid, VV. De IND behandelt de aanvraag conform de in artikel 3.118b Vb beschreven procedure, indien de vreemdeling in de zienswijze zijn aanvraag alsnog van de gevraagde informatie voorziet. De aanvraag is compleet indien aan de aanwijzingen in het model M35-0 is voldaan.
[…]