Uitspraak BRS.25.001087
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3317
- Datum uitspraak
- 12 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 19 mei 2023 en 9 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellant om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 (artikel 9-document), afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.001087
ECLI:NL:RVS:2026:3317
Datum uitspraak: 12 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 juli 2025 in zaken nrs. NL24.3755 en NL24.23109 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 19 mei 2023 en 9 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellant om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 (artikel 9-document), afgewezen.
Bij besluiten van 9 januari 2024 en 8 mei 2024 heeft de staatssecretaris de daartegen door appellant gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 juli 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellant ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraken heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat in Amstelveen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant verlangt een artikel 9-document. Omdat appellant niet in Nederland verblijft, maar in Roemenië woont, kan de minister dit document niet verschaffen. Een artikel 9-document stelt vast dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft. Het is niet bedoeld om een vreemdeling rechtmatig verblijf te verlenen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1145, onder 8.1. Dit betekent dat de Afdeling niet toekomt aan het beantwoorden van de vraag of het vereiste van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in strijd is met het Unierecht.
1.1. Beantwoording van de vraag over de verenigbaarheid van artikel 4:6 van de Awb met het Unierecht is niet nodig voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026
282-1097