Uitspraak 202601475/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3320
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 9 december 2025 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het verzoek van elf gemeenten ingewilligd en de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Voorne aan Zee op grond van artikel 99 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) de aanwijzing gegeven binnen twee maanden een gemeenschappelijke regeling te treffen. Alle twaalf in het procesverloop genoemde gemeenten werkten sinds 2015 in het kader van de regionale volkshuisvesting samen in het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam. Een aantal jaar geleden heeft de gemeente Ridderkerk geconstateerd dat de samenwerking leidde (en nog altijd leidt) tot een disproportionele druk op de (sociale) woningmarkt in haar gemeente. Zij is voornemens om een eigen, lokaal woonruimtebemiddelingssysteem te gaan gebruiken, om de positie van de Ridderkerkse woningzoekenden te versterken. Het gemeentebestuur heeft daarom in 2025 geweigerd een nieuwe bestuursovereenkomst voor het samenwerkingsverband te ondertekenen en het is ook niet overgegaan tot vaststelling van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025.
- Voorlopige voorziening
- Verordeningen
Toon inhoud
202601475/2/A3.
Datum uitspraak: 11 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk,
verzoeker,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2025 heeft het college van gedeputeerde staten het verzoek van elf gemeenten ingewilligd en de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Voorne aan Zee op grond van artikel 99 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) de aanwijzing gegeven binnen twee maanden een gemeenschappelijke regeling te treffen.
Bij besluit van 14 april 2026 heeft het college van gedeputeerde staten het door het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen het besluit van 14 april 2026 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk beroep ingesteld.
Ook heeft het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 19 mei 2026 heeft het college van gedeputeerde staten toegezegd dat hij niet zal overgaan tot het nemen van een opleggingsbesluit totdat door de voorzieningenrechter op het verzoek is beslist.
Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 28 mei 2026, waar het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk, vertegenwoordigd door J.W. Steeman, C.A. van der Duijn-Schouten en M. Kitslaar, bijgestaan door mr. R.J.G. Bäcker en mr. K.H.M. Brackel, advocaten in Amsterdam, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. R.A. Tetteroo en mr. S. Haak, bijgestaan door mr. J.M. Huber en mr. dr. M.J. de Groot, advocaten in Rotterdam, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, vertegenwoordigd mr. S.B.H. Fijneman, als partij gehoord.
Overwegingen
Wettelijk kader
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
2. Alle twaalf in het procesverloop genoemde gemeenten werkten sinds 2015 in het kader van de regionale volkshuisvesting samen in het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam. Een aantal jaar geleden heeft de gemeente Ridderkerk geconstateerd dat de samenwerking leidde (en nog altijd leidt) tot een disproportionele druk op de (sociale) woningmarkt in haar gemeente. Zij is voornemens om een eigen, lokaal woonruimtebemiddelingssysteem te gaan gebruiken, om de positie van de Ridderkerkse woningzoekenden te versterken. Het gemeentebestuur heeft daarom in 2025 geweigerd een nieuwe bestuursovereenkomst voor het samenwerkingsverband te ondertekenen en het is ook niet overgegaan tot vaststelling van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025.
3. De elf verzoekende gemeenten hebben het college van gedeputeerde staten verzocht om een aanwijzing om de regionale samenwerking voort te zetten. Zij willen versnippering in de regelgeving tegengaan en gelijkluidende regels voor urgentie en sociale huur blijven houden. Het college van gedeputeerde staten heeft daarop alle twaalf gemeenten de aanwijzing gegeven om een gemeenschappelijke regeling te treffen ter behartiging van de belangen van een evenwichtige woonruimteverdeling op basis van de Huisvestingswet. Het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk kan zich daarmee niet verenigen. Hij verzet zich tegen de aanwijzing en wil voorkomen dat het aanwijzingsbesluit wordt gevolgd door een besluit tot oplegging van een regeling als bedoeld in artikel 100 van de Wgr.
4. Bij uitspraak van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:875, heeft de voorzieningenrechter een hangende bezwaar gedaan verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk toegewezen en bepaald dat het college van gedeputeerde staten tot zes weken na het nemen van het besluit op bezwaar in deze procedure over het aanwijzingsbesluit niet op grond van artikel 100 van de Wgr een regeling kan opleggen.
5. Op 14 april 2026 heeft het college van gedeputeerde staten het bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk ongegrond verklaard en het besluit van 9 december 2025 in stand gelaten (het aanwijzingsbesluit). Op 14 april 2026 heeft het college van gedeputeerde staten ook een voornemen uitgebracht tot oplegging van gemeenschappelijke regeling op grond van artikel 100 van de Wgr (het opleggingsbesluit).
Het verzoek
6. Het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk verzoekt opnieuw om de werking van het aanwijzingsbesluit van 14 april 2026 te schorsen, nu totdat op het beroep is beslist.
7. Bij brief van 19 mei 2026 heeft het college van gedeputeerde staten toegezegd dat hij niet zal overgaan tot het nemen van het opleggingsbesluit totdat door de voorzieningenrechter op het verzoek is beslist. Om die reden is afgezien van het opleggen van een ordemaatregel, waarom het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk eerder had verzocht.
Spoedeisend belang
8. De voorzieningenrechter passeert het betoog van het college van gedeputeerde staten dat spoedeisend belang ontbreekt. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 18 februari 2026 al overwogen dat niet is uitgesloten dat op korte termijn door het college van gedeputeerde staten een regeling wordt opgelegd. Met het aanwijzingsbesluit van 14 april 2026 en het voornemen tot het nemen van het opleggingsbesluit is duidelijk dat het college van gedeputeerde staten voornemens is een regeling op te leggen. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college van gedeputeerde staten ook bevestigd dat hij, in het geval het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk wordt afgewezen, zo snel mogelijk uitvoering wil geven aan het aanwijzingsbesluit en het opleggingsbesluit zal nemen. De voorzieningenrechter acht gelet hierop een spoedeisend belang aanwezig.
Beoordeling van het verzoek
9. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen in de uitspraak van 18 februari 2026, zijn de door partijen opgeworpen gronden niet gemakkelijk te beoordelen omdat het gaat om nog niet in rechtspraak uitgekristalliseerde regelgeving. In de kern draait het geschil van partijen om de vragen of het college van gedeputeerde staten bevoegd was tot het nemen van het aanwijzingsbesluit op de voet van de Wgr en, zo ja, of sprake is van het daarvoor vereiste zwaarwegende belang. Daarnaast vergen de door partijen in dit kader naar voren gebrachte feiten over de lokale en regionale woningmarkt nader onderzoek. Een en ander leent zich niet voor bespreking in deze voorlopigevoorzieningsprocedure. Dit geldt nu het besluit op bezwaar is genomen nog steeds. Dit is met partijen op de zitting van 28 mei 2026 ook besproken. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom opnieuw beoordelen aan de hand van een belangenafweging. Omdat de belangen en omstandigheden sindsdien niet in bepalende mate zijn gewijzigd, verloopt die weging gedurende het beroep langs dezelfde lijnen als tijdens het bezwaar.
10. De voorzieningenrechter begrijpt dat de belangen die de bestuursorganen in deze zaak aan de orde stellen, groot zijn. Enerzijds is er het gestelde belang van het college van gedeputeerde staten en de elf verzoekende gemeenten om de regionale samenwerking, gezamenlijke inzet en afstemming te continueren, om zo te komen tot een evenwichtige regionale verdeling van woonruimte. Anderzijds is er het gestelde belang van het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk om gevrijwaard te blijven van het ingrijpen in de gemeentelijke autonomie en niet te worden geconfronteerd met een opgelegde gemeenschappelijke regeling waaraan zij niet deel wenst te nemen.
11. Zoals ook de voorzieningenrechter al heeft overwogen in de uitspraak van 18 februari 2026 en ook nu voorop wordt gesteld, is het uitgangspunt van de Wgr vrijwilligheid. De wetgever heeft het instrumentarium van de verplichte samenwerking als ultimum remedium in de wet opgenomen. Hiervan uitgaand ligt in de rede dat eerst in beroep over de rechtmatigheid van de aanwijzing wordt geoordeeld voordat de gemeente Ridderkerk zich geconfronteerd ziet met een besluit tot oplegging van een regeling op grond van artikel 100 van de Wgr. Dat zou anders kunnen zijn als tegenover het belang van de gemeentelijke autonomie van Ridderkerk een zwaarder wegend belang zou staan dat gemoeid is met het op korte termijn kunnen nemen van het opleggingsbesluit, ter bewerkstelliging van de door het college van gedeputeerde staten gewenste regeling. Het college van gedeputeerde staten heeft echter ook nu onvoldoende duidelijk gemaakt welke belangen eraan in de weg staan om de huidige juridische situatie tot een uitspraak op het beroep te laten voortduren. Het college van gedeputeerde staten heeft daarover aangevoerd dat het wenselijk is als in de gehele regio dezelfde regels voor woningzoekenden gelden. Ter zitting heeft hij echter niet weersproken dat de woningzoekende in de regio, inclusief Ridderkerk, op dit moment geen praktische problemen ervaart of gevolgen ondervindt van de verschillen tussen de Verlengde verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 - die nog geldt in Ridderkerk - en de Verordening Woonruimtebemiddeling 2025 die geldt in de elf verzoekende gemeenten. De gestelde verwarring die bij een woningzoekende zou kunnen optreden door het verschil in de van toepassing zijnde regels, terwijl voor die woningzoekende één loket bestaat, heeft het college van gedeputeerde staten desgevraagd niet concreet gemaakt.
12. Verder geldt nog steeds dat de Verordening Woonruimtebemiddeling Ridderkerk 2026 voorlopig niet in werking zal treden. Het college van burgemeester en wethouders heeft daarover op de zitting toegelicht dat dit alleen kan als het lokale woonruimtebemiddelingssysteem gereed is en dat zal pas op zijn vroegst in 2027 zijn. Bovendien is Ridderkerk voornemens, gelet op de daarmee gemoeide investeringen, te wachten met het verder ontwikkelen van dit systeem totdat uitspraak zal zijn gedaan op het beroep. De Verlengde verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 blijft dus naar het er thans naar uitziet in de gemeente Ridderkerk van kracht totdat op het beroep is beslist. Het college van gedeputeerde staten heeft niet kunnen verduidelijken wat de bezwaren zijn als deze huidige situatie voort blijft bestaan terwijl zich voor de woningzoekende daardoor geen praktische problemen voordoen. Bij dit alles betrekt de voorzieningenrechter ook dat de Afdeling, zoals ook op de zitting van 28 mei 2026 is gezegd, ernaar streeft om het beroep in het najaar van 2026 op een zitting te behandelen. Gelet op al deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk bij schorsing van het besluit op bezwaar, thans zwaarder weegt dan het belang van het college van gedeputeerde staten bij het op korte termijn kunnen nemen van een opleggingsbesluit.
Conclusie en proceskosten
13. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening op na te melden wijze toe te wijzen.
14. De voorlopige voorzieningenrechter zal het aanwijzingsbesluit van 14 april 2026 schorsen totdat op het beroep is beslist. Dit betekent dat het college van gedeputeerde staten niet kan overgaan tot oplegging van een regeling op grond van artikel 100 van de Wgr totdat op het beroep is beslist.
15. Het college van gedeputeerde staten moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 14 april 2026, kenmerk PZH-2026-889505513 DOS-2013-0009992, totdat op het beroep is beslist;
II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij het college van burgemeester wethouders van Ridderkerk in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van €1868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van €596,00.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Venema, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Venema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026
973
BIJLAGE
Wettelijk kader
Wet gemeenschappelijke regelingen
Artikel 99
1 Op verzoek van het bestuur van een of meer gemeenten kunnen gedeputeerde staten, indien een zwaarwegend openbaar belang dat vereist, gemeenten aanwijzen waarvan de besturen een gemeenschappelijke regeling moeten treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen.
2 Een aanwijzing kan ook betreffen de verplichting tot wijziging of opheffing van een bestaande regeling, alsmede de verplichting tot toetreding tot of uittreding uit een bestaande regeling.
3 Alvorens een aanwijzing te geven, plegen gedeputeerde staten overleg met de besturen van de betrokken gemeenten. Bij een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid, plegen gedeputeerde staten tevens overleg met het bestuur van het openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan dat bij de betreffende regeling is ingesteld. Het overleg duurt ten hoogste dertien weken, te rekenen vanaf de datum waarop gedeputeerde staten de betrokken besturen tot het voeren van overleg in de gelegenheid hebben gesteld.
4 Bij de aanwijzing stellen gedeputeerde staten een termijn binnen welke een regeling ter kennisneming aan hen dient te worden gezonden. Deze termijn bedraagt ten hoogste zes maanden.
Artikel 100
1 Gedeputeerde staten leggen uiterlijk binnen zes maanden na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 99, vierde lid, een regeling op overeenkomstig de aanwijzing, bedoeld in artikel 99, eerste lid, indien geen regeling aan hen is gezonden, of indien uit de ter kennisneming toegezonden regeling blijkt dat aan de aanwijzing onvoldoende gevolg is gegeven.
2 Een oplegging kan ook betreffen de oplegging van een wijziging of opheffing van een bestaande regeling, alsmede de oplegging van een toetreding tot of uittreding uit een bestaande regeling.
3 Alvorens een regeling op te leggen, horen gedeputeerde staten de besturen van de betrokken gemeenten over het ontwerp van de op te leggen regeling. Bij een oplegging als bedoeld in het tweede lid, horen gedeputeerde staten tevens het bestuur van het openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan dat bij de betreffende regeling is ingesteld.