Uitspraak 202601389/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3319
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 8 december 2023 heeft de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur het verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) deels toegewezen. [wederpartij] heeft de minister op 29 augustus 2023 verzocht om informatie openbaar te maken op grond van de Woo. Het verzoek gaat over alle documenten die betrekking hebben op het onderzoek dat door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is uitgevoerd naar een incident op een varkensbedrijf op of nabij 24 augustus 2021 waar veel varkens bij zijn omgekomen. Het Openbaar Ministerie heeft een zienswijze gegeven over de voorgenomen openbaarmaking door de minister. De minister heeft besloten om de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar te maken.
- Voorlopige voorziening
- Openbaarheid
Toon inhoud
202601389/2/A3.
Datum uitspraak: 11 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 april 2026 in zaak nr. 24/2684 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in [woonplaats]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2023 heeft de minister het verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) deels toegewezen.
Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 april 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 mei 2024 vernietigd en de minister opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [wederpartij].
Tegen deze uitspraak hebben de minister en de minister van Justitie en Veiligheid, (hierna: het Openbaar Ministerie), hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft de minister de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 28 mei 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. C. Vooijs, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is ter zitting het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door mr. M.T. Ilbay en mr. J.A. Groenendijk, als partij gehoord.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
2. [wederpartij] heeft de minister op 29 augustus 2023 verzocht om informatie openbaar te maken op grond van de Woo. Het verzoek gaat over alle documenten die betrekking hebben op het onderzoek dat door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is uitgevoerd naar een incident op een varkensbedrijf op of nabij 24 augustus 2021 waar veel varkens bij zijn omgekomen. Het Openbaar Ministerie heeft een zienswijze gegeven over de voorgenomen openbaarmaking door de minister. De minister heeft besloten om de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar te maken.
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat, voor zover voor deze procedure van belang is, de minister een aantal documenten waar de Wet politiegegevens (Wpg) of de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) geheel op van toepassing zijn, ten onrechte niet op de inventarislijst bij het besluit heeft opgenomen. Volgens de rechtbank is daardoor voor [wederpartij] niet inzichtelijk gemaakt van welke documenten de minister om deze reden de openbaarmaking geheel heeft geweigerd en dat is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens de rechtbank wordt met de enkele vermelding van een documentnaam en de mededeling of dit valt onder Wpg of Wjsg, geen informatie uit dat document prijsgegeven. Zo nodig kan de minister voor de documentnaam een algemene bewoording gebruiken. De rechtbank heeft de minister mede daarom opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Dat betekent dat de minister de documenten waarvan de openbaarmaking geheel wordt geweigerd op grond van de Wpg en de Wjsg, alsnog op de inventarislijst moet vermelden.
Verzoek
4. De minister heeft verzocht om de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist. Het hoger beroep van de minister richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank dat hij de inventarislijst moet aanvullen. Volgens de minister is op de betreffende documenten een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing en vallen ze buiten de reikwijdte van de Woo. Met opname van deze documenten op een inventarislijst wordt inzage gegeven in de hoeveelheid en de aard van die documenten en dat doet afbreuk aan de belangen die de Wpg en de Wjsg beogen te beschermen. De minister betoogt dat de rechtbank de systematiek van de Woo en in het bijzonder van artikel 8.8. van de Woo heeft miskend, door een algehele weigering van de openbaarmaking van documenten op grond van in de Woo opgenomen weigeringsgronden gelijk te stellen aan het niet van toepassing zijn van de Woo. Volgens de minister wordt het hoger beroep zinledig als hij nu uitvoering moet geven aan de uitspraak van de rechtbank en de documenten op de inventarislijst moet vermelden. Het Openbaar Ministerie deelt dit standpunt een heeft om dezelfde reden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Beoordeling van het verzoek
5. De vraag of documenten waarop op de voet van artikel 8.8. van de Woo in zijn geheel een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing is, moeten worden vermeld op een inventarislijst bij een besluit over een Woo-verzoek, leent zich niet voor beantwoording in deze voorlopige voorzieningsprocedure. Daarom zal de voorzieningenrechter de vraag of vooruitlopend op de uitspraak op de hoger beroepen een voorlopige voorziening moet worden getroffen, beantwoorden aan de hand van een belangenafweging.
6. Uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft tot gevolg dat de minister de documenten die onder de reikwijdte van de Wpg en Wjsg vallen en waarop dus een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing is, ter beoordeling van een verzoek om openbaarmaking op de inventarislijst bij het Woo-besluit moet vermelden. Of de minister gehouden is dit te doen, is het punt dat in hoger beroep voorligt. De procedure in hoger beroep zou daarom geen praktische betekenis meer hebben als de rechtbankuitspraak vooruitlopend op een oordeel van de Afdeling wordt uitgevoerd, terwijl niet kan worden uitgesloten dat de enkele opname van de documenten op de inventarislijst gelet op de aard ervan afbreuk zou doen aan de belangen die de Wpg en de Wjsg beogen te beschermen.
7. [wederpartij] heeft ter zitting toegelicht dat hij de beoordeling van de minister dát op de desbetreffende documenten de Wpg en de Wjsg van toepassing zijn zodat die onder een bijzondere openbaarmakingsregeling vallen, niet bestrijdt. Daarover ging overigens ook het oordeel van de rechtbank niet. [wederpartij] wil met het oog op een procedure op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) inzicht krijgen in welke documenten bestaan waarop de minister de Wpg en de Wjsg van toepassing acht. Ter zitting heeft [wederpartij] niet weersproken dat hij informatie die voor dat doel relevant is kan verkrijgen, op grond van artikel 12f Sv. [wederpartij] heeft verder niet concreet duidelijk gemaakt welke belangen eraan in de weg staan dat een uitspraak op het hoger beroep niet kan worden afgewacht, anders dan dat de relevantie van openbaarmaking van documenten minder wordt naarmate de tijd verstrijkt. Hier ligt echter niet de vraag voor of de documenten openbaar moeten worden gemaakt, maar uitsluitend of de inventarislijst moet worden aangevuld met documenten waarop een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing is. Gelet op deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de minister om nog geen uitvoering te hoeven geven aan de uitspraak van de rechtbank, zwaarder weegt dan het belang van [wederpartij]. Daarom zal de voorzieningenrechter het verzoek van de minister toewijzen en de uitspraak van de rechtbank schorsen totdat op het hoger beroep is beslist.
8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 april 2026 in zaak nr. 24/2684, totdat op het hoger beroep is beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Venema, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Venema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026
973