Uitspraak BRS.26.002128
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3252
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een opvolgende aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002128
ECLI:NL:RVS:2026:3252
Datum uitspraak: 9 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 1 april 2026 in zaak nr. NL25.22228 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2025 heeft de minister een opvolgende aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij uitspraak van 1 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning is vastgesteld op 10 november 2022, de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vastgesteld op 17 april 2022 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N.C. Blomjous, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De enige grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant voert tevergeefs aan dat de rechtbank de datum van de eerste door appellant in Nederland ingediende asielaanvraag, namelijk 4 augustus 2018, had moeten aanmerken als de ingangsdatum van de asielvergunning. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de datum waarop appellant een tweede asielaanvraag in Nederland heeft ingediend, namelijk 17 april 2022, moet worden aangemerkt als de ingangsdatum. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant naar aanleiding van zijn eerste in Nederland ingediende asielaanvraag is overgedragen aan Duitsland, waar zijn asielaanvraag vervolgens inhoudelijk is beoordeeld. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:881, is de behandeling van de eerste asielaanvraag dus afgerond en is de datum van indiening van die eerste asielaanvraag dus niet meer bepalend. De tweede in Nederland ingediende asielaanvraag van appellant moet worden aangemerkt als een ‘volgend verzoek’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder q, van de Procedurerichtlijn. De datum van die aanvraag is in dit geval bepalend voor de ingangsdatum van de verleende vergunning. Dat, zoals appellant betoogt, de erkenning van de vluchtelingenstatus declaratoire kracht heeft, maakt dit niet anders. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 7 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4518, onder 5.1-5.4. Daaruit en uit de uitspraken van 4 maart 2024, onder 5.1, en 28 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2098, onder 3.1 en 3.2, volgt bovendien dat dit oordeel in overeenstemming is met het Unierecht. De grief faalt.
1.1. Uit deze uitspraken volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vragen. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. van Vulpen, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Vulpen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026
1073