Uitspraak BRS.26.001587 en BRS.26.001603
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3130
- Datum uitspraak
- 4 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 5 mei 2024 heeft het Centraal Orgaan opvang asielzoekers betrokkenen geïnformeerd over een inhouding van verstrekkingen krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva-verstrekkingen) in de periode van mei 2024 tot augustus 2024.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001587 en BRS.26.001603
ECLI:NL:RVS:2026:3130
Datum uitspraak: 4 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 30 maart 2026 in zaak nr. 25/2170 in het geding tussen:
[betrokkene A] en [betrokkene B] (hierna: betrokkenen), vertegenwoordigd door [appellant],
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Procesverloop
Bij brief van 5 mei 2024 heeft het COA betrokkenen geïnformeerd over een inhouding van verstrekkingen krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva-verstrekkingen) in de periode van mei 2024 tot augustus 2024.
Bij uitspraak van 30 maart 2026 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de brief van 5 mei 2024 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is. De rechtbank heeft terecht gewezen op de toelichting van het COA dat de inhouding op de Rva-verstrekkingen het gevolg is van een verkregen voorschot en dus feitelijk geen beperking of onthouding van de wettelijke Rva-verstrekkingen tot gevolg heeft. Om diezelfde reden oordeelt de voorzieningenrechter dat de brief ook geen handeling van het COA ten aanzien van een vreemdeling als zodanig is, als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet COA.
2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
3. Appellant heeft de voorzieningenrechter verzocht om het COA te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding. Gelet op wat de voorzieningenrechter hiervoor onder 1 overweegt, is er in dit geval geen schadeoorzaak als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter is daarom onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. Het COA hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
III. verklaart zich onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026
1028