Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202601177/2/A3

Uitspraak 202601177/2/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3148
Datum uitspraak
5 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij uitspraak van 13 mei 2026 in zaak nr. 202601177/3/A3 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 maart 2026 in zaak nr. 25/1419 geschorst en bepaald dat de minister van Financiën geen nieuw besluit hoeft te nemen op het bezwaar van [wederpartij], totdat de voorzieningenrechter heeft beslist over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening.
  • Voorlopige voorziening
  • Geld

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202601177/2/A3.
Datum uitspraak: 5 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake de opheffing (artikel 8:87, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van 13 mei 2026, in zaak nr. 202601177/3/A3, getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen:

de minister van Financiën

en

[wederpartij].

Procesverloop

Bij uitspraak van 13 mei 2026 in zaak nr. 202601177/3/A3 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 maart 2026 in zaak nr. 25/1419 geschorst en bepaald dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen op het bezwaar van [wederpartij], totdat de voorzieningenrechter heeft beslist over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening.

Partijen zijn uitgenodigd om op zitting te verschijnen om te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op de zitting van 28 mei 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. C.H. Mensink en mr. G.C. Verhagen, en [wederpartij] zijn verschenen.

Op de zitting heeft de minister het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.

Overwegingen

1.       Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.

2.       De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd en de minister opgedragen binnen acht weken opnieuw te beslissen op het bezwaar van [wederpartij]. De minister is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Het instellen van hoger beroep heeft geen schorsende werking. De minister heeft daarom ook de voorzieningenrechter verzocht om uitstel voor het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar.

3.       Omdat het verzoek van de minister niet binnen acht weken na de uitspraak van de rechtbank op zitting kon worden behandeld, heeft de voorzieningenrechter op verzoek van de minister de ordemaatregel getroffen op 13 mei 2026. Daarbij heeft de voorzieningenrechter betrokken dat op korte termijn, tijdens een zitting, kan worden bezien of aanleiding bestaat de bij die uitspraak getroffen voorlopige voorziening met toepassing van artikel 8:87 van de Awb op te heffen of te wijzigen.

4.       Na onderling overleg tussen partijen heeft de minister zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken. Daarmee is de aanleiding om tot schorsing van de opdracht van de rechtbank over te gaan komen te vervallen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding de getroffen voorlopige voorziening op te heffen.

5.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

heft de voorlopige voorziening, getroffen bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026, in zaak nr. 202601177/3/A3, op.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

w.g. Willems
voorzieningenrechter

w.g. Van Tuyll van Serooskerken
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026

290


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon