Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202307566/1/R1

Uitspraak 202307566/1/R1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3193
Datum uitspraak
3 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 september 2023 heeft de raad van de gemeente Beekdaelen het bestemmingsplan "Groevepark Silt" vastgesteld. Het plan heeft betrekking op het groevegebied gelegen ten zuidwesten van Nagelbeek en Schinnen, de zogenoemde Groeve Schinnen. Dit groevegebied is jarenlang gebruikt voor de winning van zand en grind. Als gevolg van de intensivering van landgebruik is de plateaurand van het groevegebied niet meer herkenbaar. Hierdoor is de verbinding tussen het groevegebied en de beekdalen verdwenen. Verder is het terrein ten oosten van het groevegebied jarenlang gebruikt als vuilstort. [bedrijf] is als initiatiefnemer volgens de plantoelichting voornemens om het groevegebied en de afgewerkte vuilstort te transformeren naar een plek waar de natuur en het (recreatieve) gebruik van de mens hand-in-hand samen komen. Het plan voorziet in een juridisch planologisch kader voor deze transformatie. Het plan voorziet in de aanleg van een recreatieplas en de bouw van maximaal 60 verblijfseenheden, met daaraan ondersteunend onder andere horeca, ondergeschikte detailhandel en een wellnessgebouw. Op de voormalige vuilstortplaats komt een zonneweide in de vorm van twee clusters zonnepanelen met daartussen een parkeerplaats voor de bezoekers van het recreatiepark.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Limburg

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persaankondiging
Volledige tekst

202307566/1/R1.
Datum uitspraak: 3 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend in [woonplaats] , gemeente Beekdaelen,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Beekdaelen,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Groevepark Silt" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[bedrijf] en Solarpark Schinnen B.V. (SPS) hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen, [bedrijf], SPS en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (de Staat) is partij in dit geding.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 januari 2026, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. F.M.A. van der Loo, rechtsbijstandverlener in Linne, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Partouns, P. Heuvels en H. Meissen, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [bedrijf] en SPS, beide vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop, advocaat in Maastricht-Airport, vergezeld door [gemachtigde] Ook heeft [partij] via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 25 januari 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan heeft betrekking op het groevegebied gelegen ten zuidwesten van Nagelbeek en Schinnen, de zogenoemde Groeve Schinnen. Dit groevegebied is jarenlang gebruikt voor de winning van zand en grind. Als gevolg van de intensivering van landgebruik is de plateaurand van het groevegebied niet meer herkenbaar. Hierdoor is volgens de plantoelichting de verbinding tussen het groevegebied en de beekdalen verdwenen. Verder is het terrein ten oosten van het groevegebied jarenlang gebruikt als vuilstort. [bedrijf]is als initiatiefnemer volgens de plantoelichting voornemens om het groevegebied en de afgewerkte vuilstort te transformeren naar een plek waar de natuur en het (recreatieve) gebruik van de mens hand-in-hand samen komen. Het plan voorziet in een juridisch planologisch kader voor deze transformatie. Het groevegebied wordt heringericht tot een recreatiepark met natuurwaarden. Het plan voorziet daarbij in de aanleg van een recreatieplas en de bouw van maximaal 60 verblijfseenheden, met daaraan ondersteunend onder andere horeca, ondergeschikte detailhandel en een wellnessgebouw. Op de voormalige vuilstortplaats komt een zonneweide in de vorm van twee clusters zonnepanelen met daartussen een parkeerplaats voor de bezoekers van het recreatiepark.

[appellant] en anderen wonen in [buurtschappen] die noordelijk van het plangebied liggen. Zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat door bouwverkeer en afvoer van delfstoffen die vrijkomen bij het ontgraven van de recreatieplas, overlast van recreanten en overlast en schade aan hun woningen door verandering in de grondwaterstand.

[bedrijf] is de initiatiefnemer van het recreatiepark. SPS wil de beoogde zonneweide realiseren en exploiteren.

3. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage van deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Ontvankelijkheid [appellant]

4. De raad stelt dat het beroep van [appellant] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [appellant], niet-ontvankelijk is. Volgens de raad woont [appellant] te ver van het plangebied om gevolgen van enige betekenis van het plan te ondervinden. Bovendien heeft [appellant] als enige van de appellanten geen zienswijze naar voren gebracht over het ontwerpplan.

4.1. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

4.2. De Afdeling stelt vast dat de kortste afstand tussen de woning van [appellant] en het plangebied hemelsbreed ongeveer 580 m is. Het plan maakt een vorm van recreatie mogelijk die gericht is op rust en natuurbeleving. Verder staat de woning van [appellant] op ruime afstand van de voorziene ontsluitingsroute. Zoals verderop in deze uitspraak nog aan de orde komt, mocht de raad ervan uitgaan dat het plangebied via deze route zal worden ontsloten.

Gelet op de te verwachten intensiteit van de effecten van de activiteiten binnen het plangebied en de ligging van de ontsluitingsroute acht de Afdeling het niet aannemelijk dat [appellant] gevolgen van enige betekenis van het plan zal ondervinden. Daarom is [appellant] naar het oordeel van de Afdeling geen belanghebbende bij het bestreden besluit.

In de uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, heeft de Afdeling overwogen dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar die tegen het ontwerpbesluit wel een zienswijze heeft ingediend, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is.

Die uitzondering doet zich hier niet voor. Het staat vast dat [appellant] geen zienswijze naar voren heeft gebracht op het ontwerpplan. In wat [appellant] daarover heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat hem dit redelijkerwijs niet kan worden verweten.

4.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk. De andere in het beroepschrift genoemde appellanten [appellant 2], [appellant 3], [appellant 4] en [appellant 5] zijn naar het oordeel van de Afdeling wel als belanghebbende aan te merken. Met betrekking tot hen is het beroep derhalve wel ontvankelijk. Zij zullen hierna verder gezamenlijk als appellanten worden aangeduid.

Toetsingskader

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Ingetrokken beroepsgronden

6. Op de zitting hebben appellanten de beroepsgronden die verband houden met de maatschappelijke meerwaarde van het plan, de tijdelijke daling van de grondwaterstand tijdens de aanlegfase van het plan, veiligheid, parkeren, overlast door vrachtverkeer vanwege ontgrondingswerkzaamheden, de borging van het maximale aantal recreatiewoningen in de planregels en de borging van de maximale oppervlakte aan zonnepanelen in de planregels ingetrokken.

Schijn van partijdigheid

7. Appellanten voeren een aantal feiten en omstandigheden aan waardoor bij de besluitvorming door de raad of het daaraan voorafgaande proces de schijn van partijdigheid zou zijn gewekt. In dat kader wijzen zij op de rol van een voormalig wethouder van de gemeente, die nauw betrokken zou zijn geweest bij de plannen van initiatiefnemer [bedrijf] en de positieve grondhouding van het college in de raadsinformatiebrief van 13 juli 2021. Verder hebben zij erop gewezen dat de klankbordgroep Silt die betrokken was bij de voorbereiding van het plan, niet objectief is samengesteld en feitelijk niet heeft gefunctioneerd.

7.1. De door appellanten geschetste positieve grondhouding van het college ten aanzien van dit plan in weerwil van een ander standpunt ten aanzien van een gevraagde omgevingsvergunning , de vermeende rol van de voormalig wethouder bij de totstandkoming van dit plan en het al dan niet functioneren van de klankbordgroep bij de voorbereiding van het plan zijn onvoldoende om te concluderen dat daarmee een schijn van partijdigheid zou zijn gewekt en dat de raad daarom geen besluit meer kon nemen over de vaststelling van dat plan. De Afdeling ziet ook in de door appellanten voor de overige genoemde gang van zaken geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij het nemen van het besluit partijdig heeft gehandeld, de schijn van partijdigheid heeft gewekt of het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid omdat hij zich geen juist beeld heeft gevormd.

Het betoog slaagt niet.

Volledigheid informatie bij vaststelling van het plan

8. Appellanten betogen dat de raad ten tijde van de vaststelling van het plan niet beschikte over alle vereiste documenten dan wel de juiste informatie om tot een weloverwogen besluit te kunnen komen. Zij wijzen er daarbij op dat enkele documenten pas na de raadsvergadering van 26 september 2023 als bijlage aan de raadsagenda zijn toegevoegd.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij voldoende informatie had om een zorgvuldig en gemotiveerd besluit over de vaststelling van het bestemmingsplan te nemen.

8.2. De inhoud van de door appellanten genoemde documenten is bij de vaststelling van het plan betrokken en bovendien waren deze stukken voor eenieder toegankelijk. De raad heeft verder erop gewezen dat alleen de inhoud van de rapportage van omgevingsmanagers (Grenspaal 12) geen deel uitmaakte van de raadstukken, maar dat die rapportage is gehanteerd als intern adviesdocument ter ondersteuning van het college van burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een besluit. De raad heeft daarbij gesteld dat de bevindingen uit deze rapportage zijn verwerkt in het raadsvoorstel, dat wel aan de raad is voorgelegd. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanknopingspunten om aan dit standpunt te twijfelen.

Het betoog slaagt niet.

Draagvlak

9. Appellanten betogen dat er onvoldoende draagvlak is voor het plan. Volgens hen schetst de raad een te rooskleurig beeld van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt. Zij voeren aan dat de informatievoorziening richting omwonenden tijdens de voorbereiding van het plan te summier is geweest. Verder hebben volgens appellanten diverse personen zich uitgesproken tegen het plan. Zij wijzen op handtekeningenacties en het grote aantal zienswijzen dat naar voren is gebracht op het ontwerpplan.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat draagvlak geen vereiste is bij de vaststelling van het plan. Volgens de raad is in de aanloop naar het plan een participatietraject in de vorm van een omgevingsdialoog opgestart en is dat participatietraject gericht geweest op het verzamelen van inzichten van omwonenden en andere betrokkenen. De raad wijst daartoe op het participatieverslag dat als bijlage bij de toelichting bij het plan is gevoegd. Overigens bestaat volgens de raad voldoende draagvlak voor het plan, wat volgens de raad blijkt uit twee instemmende zienswijzen namens in totaal 312 personen.

9.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1951, onder 9.1) is er geen wettelijke regel die bepaalt dat een ruimtelijk plan een ontwikkeling alleen mogelijk mag maken als daarvoor voldoende draagvlak in de omgeving bestaat. Reeds hierom ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege het ontbreken van voldoende draagvlak het plan niet heeft mogen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Ladder voor duurzame verstedelijking en behoefte

10. Appellanten betogen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (het Bro) is vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat het plan op de gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" onder andere voorziet in 60 recreatiewoningen en dat deze ontwikkeling is aan te merken als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onder verwijzing naar een notitie van [adviesbureau 1] van 5 januari 2024 voeren zij aan dat de raad de zogenaamde ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ had moeten doorlopen. Volgens appellanten blijkt uit de toelichting bij het plan dat dit echter niet gebeurd is.

Appellanten stellen verder dat ook als geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, de raad gelet op artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro wel moet aantonen dat de met het plan mogelijk gemaakte recreatiewoningen voorzien in een behoefte. De raad heeft deze behoefte volgens hen onvoldoende aangetoond.

Appellanten voeren verder aan dat in de plantoelichting niet is ingegaan op de vraag of er gelet op geldend provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, behoefte bestaat aan de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde notitie van [adviesbureau 1] voeren zij aan dat niet is onderbouwd dat in de regio Zuid-Limburg een behoefte bestaat aan de mogelijkheden die het plan biedt.

10.1. De raad stelt zich primair op het standpunt dat het relativiteitsvereiste eraan in de weg staat dat appellanten zich op de ladder voor duurzame verstedelijking beroepen.

De raad stelt zich verder op het standpunt dat voldaan is aan de vereisten van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en dat het plan voorziet in zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte. De raad wijst in dit kader op de aan het plan ten grondslag gelegde document "Onderzoek naar de haalbaarheid van het toeristisch-recreatief onderdeel van het Groevepark Silt" van Leisure Brains van 26 mei 2021 (het haalbaarheidsonderzoek) en het ambtelijk advies "Hernieuwd advies Themagroep Vrijetijdseconomie" (het ambtelijk advies) van 2 juni 2023 van de provincie Limburg.

De raad stelt daarnaast dat met de onderbouwing dat een behoefte bestaat aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, ook is aangetoond dat het plan voorziet in een behoefte, voor zover provinciaal en gemeentelijk beleid een onderbouwing daarvan verlangt.

Staat artikel 8:69a van de Awb in de weg aan een vernietiging op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro?

10.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.24), strekt artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro mede ter bescherming van het belang van een omwonende dat is gelegen in het behoud van een goed woon- en leefklimaat en in verband daarmee het niet onnodig bebouwen van nabij de woning van appellant gelegen gronden in het plangebied, die voorheen grotendeels niet voor bebouwing waren bestemd. Het plan heeft tot gevolg dat appellanten in de nabijheid van hun woningen geconfronteerd worden met extra nieuwe bebouwing - en daarmee groter ruimtebeslag - en met andere functies nabij hun woningen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro daarom strekt tot bescherming van hun belangen. Artikel 8:69a van de Awb staat daarom niet in de weg aan een vernietiging van het bestreden besluit door strijd met deze bepaling.

Inhoudelijke beoordeling

10.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied.

De Afdeling overweegt dat uit de toelichting bij het plan niet kan worden opgemaakt dat de raad de ladder voor duurzame verstedelijking heeft doorlopen. De raad heeft op de zitting uiteengezet dat in de toelichting bij het plan weliswaar geen specifieke paragraaf over de ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen, maar dat een beschrijving van de behoefte aan de in het plan voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals de nieuwe recreatieverblijven, wel is beschreven in het haalbaarheidsonderzoek en het ambtelijk advies die aan het plan ten grondslag zijn gelegd. De Afdeling is van oordeel dat de inhoud van deze documenten niet op één lijn kan worden gesteld met een ladderonderbouwing. Gelet hierop heeft de raad het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro vastgesteld.

Het betoog slaagt.

In stand laten rechtsgevolgen?

10.4. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het besluit tot vaststelling van het plan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten. Hiervoor is van belang dat namens de raad en [bedrijf]in een reactie op het beroepschrift van appellanten het rapport "Ladderonderbouwing Groevepark Silt" van Bureau Leisure Brains van 1 maart 2024 en een oplegnotitie van [adviesbureau 2] van 4 maart 2024 aan de Afdeling zijn overgelegd.

In de oplegnotitie staat dat het plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt in de vorm van nieuwe recreatiewoningen en appartementen, dagrecreatie, met bijbehorende horeca, wellness, detailhandel in de vorm van een outdoorshop en natuureducatie en dat deze recreatieve functies buiten bestaand stedelijk gebied worden ontwikkeld. Volgens de oplegnotitie bestaat er zowel een kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte aan die ontwikkeling. Wat betreft de kwantitatieve behoefte is vermeld dat er een bruto marktruimte is voor 100 tot 200 verhuurbare recreatieve verblijfseenheden, zonder dat dit effect heeft op de bezettingsgraad van bestaande bedrijven. Gelet hierop past de ontwikkeling volgens de oplegnotitie daarom ruimschoots in de geschatte marktruimte zoals vermeld in het rapport van Leisure Brains van 1 maart 2024. Wat betreft de kwalitatieve behoefte is er volgens de oplegnotitie weinig bestaand aanbod dat voorziet in verblijfsrecreatie in combinatie met de ontwikkeling van waternatuur en waterrecreatie. De oplegnotitie vermeldt tot slot dat de natuurlijke en landschappelijke omgeving deel uitmaakt van de recreatieve ontwikkeling waarin het plan voorziet, waarbij is vermeld dat een locatie met dergelijke eigenschappen niet aanwezig is binnen het stedelijk gebied. In de oplegnotitie is daarom geconcludeerd dat de behoefte waarin het plan voorziet niet mogelijk is binnen het bestaand stedelijk gebied.

10.5. De raad heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat zijn besluit van 26 september 2023 mede is gebaseerd op de notitie van [adviesbureau 2] van 4 maart 2024. De notitie bestond evenwel nog niet ten tijde van de vaststelling van het plan. Daar hebben appellanten terecht op gewezen. Maar dat staat er op zichzelf niet aan in de weg dat de raad deze notitie mag gebruiken ter nadere onderbouwing van zijn besluit. Voor zover appellanten hierover hebben gesteld dat zij de late indiening van deze onderbouwing in strijd achten met de goede procesorde, ziet de Afdeling geen aanleiding hen hierin te volgen. Daarbij betrekt de Afdeling dat appellanten de oplegnotitie en het onderliggende rapport ruim anderhalf jaar voor de zitting hebben ontvangen. Zij hebben hier dus in voldoende mate op kunnen reageren.

10.6. Uit wat onder 10.4 en 10.5 staat volgt dat de behoefte aan de in het plan voorziene ontwikkelingen inzichtelijk is gemaakt en dat de raad met de oplegnotitie, alsnog inzichtelijk heeft gemaakt dat met de binnen het plangebied voorziene ontwikkeling wordt voorzien in een behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en dat die behoefte niet kan worden voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied.

10.7. Wat betreft de door appellanten aangevoerde strijdigheid met geldend beleid, stelt de Afdeling voorop dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan dit beleid. Wel dient de raad bij de planvaststelling met dit beleid rekening te houden en in zijn belangenafweging te betrekken. Dat heeft de raad ook gedaan. In hoofdstuk 3.2 van de plantoelichting is ingegaan op de vraag hoe het plan zich verhoudt tot wat is vermeld in provinciaal en regionaal beleid. De Afdeling ziet in de wat appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan in overeenstemming is met provinciaal en regionaal beleid.

Ook wat betreft het gemeentelijk beleid ziet de Afdeling geen aanleiding om appellanten te volgen in hun standpunt. Ook voor het gemeentelijk beleid geldt dat de raad in hoofdstuk 3.3 van de plantoelichting is ingegaan op de vraag hoe het bestemmingsplan zich verhoudt tot dat beleid. Het betoog van appellanten over de strijdigheid met gemeentelijk beleid is bovendien niet nader geconcretiseerd.

Het betoog slaagt niet.

Natuur

Natura 2000-gebied en stikstof

11. Appellanten betogen dat de raad ten onrechte geen passende beoordeling heeft gemaakt voorafgaand aan de vaststelling bij het plan. Volgens hen is niet uitgesloten dat het plan leidt tot een toename van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden. Zij voeren aan dat de raad zich niet mocht baseren op de voortoets die als bijlage 14 bij de plantoelichting is gevoegd. Volgens hen wordt hierin namelijk uitgegaan van een te hoge uitstoot van stikstof in de referentiesituatie en een te lage uitstoot bij de realisatie van het plan. Ook is de inzet van schoon stage V-materieel niet in het plan geborgd.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de regels uit Wet natuurbescherming (de Wnb) die gaan over de bescherming van Natura 2000-gebieden niet strekken tot de bescherming van de belangen van appellanten. Het relativiteitsvereiste staat volgens hem daarom aan een vernietiging van het plan in de weg.

11.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

11.3. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid als hiervoor bedoeld kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van een appellant, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van een appellant en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied.

De Afdeling stelt vast dat appellanten allen op meer dan 245 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Geleenbeekdal wonen. Tussen hun woningen en het gebied liggen bovendien de snelweg A76, een spoorweg en [weg]. Gelet op deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Afdeling daarom niet worden gesproken van verwevenheid tussen de belangen van appellanten en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van het belang van appellanten. Artikel 8:69a van de Awb staat dan ook in de weg aan een vernietiging van het bestreden besluit op deze grond.

Het betoog slaagt niet.

Soortenbescherming

12. Appellanten betogen dat de raad onvoldoende heeft onderzocht of het plan leidt tot een aantasting van beschermde dier- en plantensoorten. Zij voeren daartoe aan dat de raad zich ten onrechte heeft gebaseerd op het hiervoor genoemde rapport "Voortoets gebiedsbescherming Wnb (incl AERIUS)". Volgens hen zijn de daaraan voorafgaande rapporten verouderd. Daarnaast is onvoldoende onderzoek gedaan naar de effecten van de grondwaterstandverlaging op streng beschermde plantensoorten, zoals verdrogingsgevoelige orchideeën.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond.

12.2. De belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving kunnen zo verweven zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. In een geval waarin een besluit voorziet in de realisering van een nieuw woon- of bedrijfsgebouw op een perceel waarop uit hoofde van de Wnb beschermde diersoorten voorkomen en de afstand van de woning van de betrokken appellant tot die gronden hemelsbreed meer dan 100 meter bedraagt, zal in zijn algemeenheid niet zo’n verwevenheid worden aangenomen. De kwaliteit van de directe leefomgeving van appellant houdt dan onvoldoende verband met de bescherming van de volgens hem op de gronden, waar de ruimtelijke ontwikkeling is voorzien, levende diersoorten.

De Afdeling stelt vast dat appellanten met een minimale afstand van 245 meter allen hemelsbreed op meer dan 100 meter van het plangebied wonen. Daarom is geen reden om aan te nemen dat hun belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving zo verweven zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Gelet hierop staat ook wat betreft soortenbescherming artikel 8:69a van de Awb in de weg aan een vernietiging van het bestreden besluit op deze grond.

Het betoog slaagt niet.

Water

Relativiteitsvereiste

13. De raad stelt zich op het standpunt dat appellanten zich vanwege het relativiteitsvereiste niet kunnen beroepen op normen die zien op het aspect water.

13.1. Gelet op de afstand tussen de woningen van appellanten [appellant 3], [appellant 4] en [appellant 5] en het plangebied acht de Afdeling het niet uitgesloten dat appellanten negatieve gevolgen kunnen ondervinden als het plan leidt tot een wijziging in de stand of de kwaliteit van het grondwater. Zij kunnen zich daarom beroepen op normen die daarmee verband houden.

Onvoldoende onderzoek hydrologische effecten

14. Appellanten betogen dat de raad het voorzorgsbeginsel krachtens artikel 191, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet op juiste wijze bij zijn afweging heeft betrokken.

14.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld onder 17.1 in de uitspraak van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2455, betreft het voorzorgsbeginsel zoals neergelegd in artikel 191, tweede lid, van het VWEU het optreden van de Europese Unie en kan deze bepaling niet worden ingeroepen om de toepassing van een nationale regeling te bestrijden.

Er bestaat geen grond om daarover nu anders te oordelen.

Grondwater: hydrologie en uitloging

15. Appellanten betogen dat de raad de gevolgen van de verhoogde grondwaterstand na de aanlegfase van het plan onvoldoende heeft onderzocht. Zij voeren daartoe aan dat in het rapport "Geohydrologie Groevepark Silt" van 15 juni 2022 van [adviesbureau 2] (het geohydrologisch rapport) waarop de raad zich heeft gebaseerd niet gepreciseerd is hoeveel hoger de grondwaterstand na de ontgronding zal zijn. Appellanten vrezen dat die verhoogde grondwaterstand overlast en schade aan hun panden zal veroorzaken.

Appellanten betogen verder dat de raad onvoldoende heeft onderzocht of het plan zal leiden tot een verontreiniging van het grondwater ter plaatse van hun woningen. Zij voeren daartoe aan dat niet is uitgesloten dat het grondwater na stijging in contact komt met de onderkant van de vuilstort. Volgens hen is dat mogelijk nu al het geval. Zij wijzen erop dat compartiment 1 en 2 aan de noordkant van de vuilstort geen onderafdichting hebben volgens het rapport "Vooronderzoek (NEN5725) bestemmingsplan ontwikkeling Groevepark Schinnen-Spaubeek SILT in de gemeente Beekdaelen" van 20 januari 2022 (het bodemonderzoek) dat bij de plantoelichting hoort.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gevolgen voor de waterhuishouding voldoende in beeld zijn gebracht. Volgens de raad blijkt uit het geohydrologisch rapport dat de door appellanten bedoelde effecten niet zullen optreden.

15.2. In artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro is bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan en het ontwerp daarvan een beschrijving moeten bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding.

15.3. In de plantoelichting is onder paragraaf 5.9 een waterparagraaf opgenomen. Daar is vermeld dat ten behoeve van het bestemmingsplan een watertoets is verricht, waarvan de resultaten zijn opgenomen in rapport "Bestemmingsplan Groevepark Silt, Watertoets" van 28 maart 2022 van [adviesbureau 2] (hierna: de watertoets). Dit rapport verwijst voor een uitgebreide rapportage van de grondwaterstanden naar het geohydrologisch rapport en is mede aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag gelegd.

15.4. Uit figuur 4-10 van het geohydrologisch rapport volgt dat de grondwaterstand in de eindsituatie ter plaatse van de woningen van [appellant 3], [appellant 4] en [appellant 5] stijgt. Op de zitting is namens [bedrijf]en de raad door hydrologisch adviseur Van den Heuvel toegelicht dat het geohydrologisch rapport de exacte stijging van de grondwaterstand ter plaatse in de eindsituatie niet vermeldt, omdat uit de daaraan ten grondslag gelegde berekeningen blijkt dat de stijging slechts maximaal 1 cm is. Deze stijging is volgens de raad verwaarloosbaar, ook omdat het grondwater ten minste 4,6 m beneden de hiervoor genoemde woningen blijft. Uit de resultaten van de hydrologische meet- en regelkring is volgens de raad inmiddels gebleken dat de grondwaterstijging beperkt zal blijven tot 1 cm.

15.5. Gelet op de inhoud van het geohydrologisch rapport en de daarop op de zitting gegeven toelichting, zijn de gevolgen van de verhoogde grondwaterstand na de aanlegfase ter plaatse van de woningen van [appellant 3], [appellant 4] en [appellant 5] naar het oordeel van de Afdeling door de raad voldoende in beeld gebracht. Appellanten hebben de conclusies van dit rapport alsmede de hierop door de hydrologische adviseur op de zitting gegeven toelichting niet gemotiveerd bestreden of weersproken. Omdat hieruit naar voren komt dat de stijging van het grondwater na de ontgronding maximaal 1 cm is en het grondwater bovendien ten minste 4,6 m beneden de hiervoor genoemde woningen blijft, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat die stijging verwaarloosbaar is en daarom niet zal leiden tot wateroverlast of schade aan de woningen van appellanten. Voor zover appellanten erop hebben gewezen dat wat de hydrologisch adviseur op de zitting naar voren heeft gebracht, ten tijde van de vaststelling van het plan niet kenbaar was voor de raad, volgt de Afdeling hen hierin niet. Die omstandigheid doet er namelijk niet aan af dat het geohydrologisch rapport toereikend was ter motivering van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. De conclusies uit de onderzoeken zijn op de zitting onderschreven door de hydrologisch adviseur.

Wat betreft het door [appellant]en andere gestelde risico op uitloging stelt de Afdeling voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van een (eventuele) sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die nu niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan met de daarin opgenomen bestemmingen niet had kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand had moeten inzien dat de aanwezigheid van bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het aspect bodem niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. In wat appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niettemin had moeten afzien van de vaststelling van het plan.

Het betoog slaagt niet.

Verkeersoverlast

Onderschatting toename verkeerswegingen

16. Appellanten betogen dat de raad bij de vaststelling van het plan de gevolgen voor de omgeving door de toename van het aantal verkeersbewegingen van bezoekers van het park heeft onderschat. Daarom is volgens hen niet uitgesloten dat zij als gevolg van de toename van het verkeer ernstige overlast ter plaatse van hun woningen zullen ondervinden. Zij voeren in dit kader aan dat in de aan het plan ten grondslag gelegde notitie "Parkeren en verkeer gebiedsontwikkeling Groevepark Silt" van 18 augustus 2023 van [adviesbureau 2] (het verkeersonderzoek) uitgegaan is van onjuiste uitgangspunten. Volgens appellanten is in dat verkeersonderzoek ten onrechte niet gerekend met een aantal van 100.000 dagrecreanten waarvan het haalbaarheidsonderzoek van Leisure Brains van 26 mei 2021 (het haalbaarheidsonderzoek) uitgaat. Bovendien is volgens hen in het verkeersonderzoek geen rekening gehouden met de toename van het aantal verkeersbewegingen van het fiets- en wandelverkeer als gevolg van het plan. Verder vrezen zij dat de toename van het fiets- en wandelverkeer leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij wijzen er daarbij op dat de raad ten onrechte ervan uitgaat dat fietsers en wandelaars enkel gebruik zullen maken van de Hettekensweg als onderdeel van de zogenoemde Beekdaelenroute, terwijl volgens hen fietsers en wandelaars ook gebruik zullen maken van sluiproutes, waaronder de wegen waaraan hun woningen staan, zoals [weg].

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen reden is om aan te nemen dat de toename van het aantal verkeerswegingen als gevolg van het plan leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat van appellanten. Hij verwijst daarbij naar het verkeersonderzoek. Volgens de raad zijn de verkeersstromen en de impact daarvan nauwkeurig geanalyseerd in het verkeersonderzoek.

16.2. In paragraaf 5.3 van de plantoelichting staat dat in het kader van de beoogde ontwikkeling een verkeer- en parkeeronderzoek is uitgevoerd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het verkeersonderzoek.

Ten aanzien van de hoeveelheid verkeer die het plan genereert, staat in het verkeersonderzoek dat voor de berekening van die verkeersgeneratie gebruik is gemaakt van de CROW-publicatie "Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen" uit 2018. Aan de hand van de in het plan voorziene ontwikkelingen en het te verwachten aantal bezoekers voor die ontwikkelingen, wordt volgens het verkeersonderzoek een totale verkeersproductie van ongeveer 350 tot 400 verkeersbewegingen per etmaal verwacht. Daarvan zijn 92 verkeersbewegingen per etmaal het gevolg van de 23.000 dagrecreanten per jaar die het groevegebied bezoeken, zo volgt uit tabel 2 van het verkeersonderzoek. Het verwachte aantal verblijfrecreanten is 78.000 gasten per jaar. Dit laatste levert 174,9 verkeerswegingen per etmaal op. Daarnaast zullen er nog 106,2 verkeersbewegingen zijn in verband met het realiseren van horeca-, museale- en winkelvoorzieningen in het plangebied.

16.3. De Afdeling ziet in wat appellanten aanvoeren over de onderschatting van het aantal verkeersbewegingen geen aanleiding voor het oordeel dat moet worden gevreesd voor een onaanvaardbare verkeerssituatie.

Voor zover appellanten stellen dat het aantal verkeersbewegingen in het verkeersonderzoek is onderschat, kan de Afdeling hen daarin niet volgen. In het verkeersonderzoek is de verkeersgeneratie beschouwd van de verschillende activiteiten die het plan mogelijk maakt. Anders dan appellanten betogen, is in het verkeersonderzoek niet alleen gerekend met 23.000 dagrecreanten. De Afdeling stelt vast dat de hiervoor genoemde groepen recreanten bij elkaar opgeteld 101.000 bezoekers op jaarbasis opleveren. In zoverre sluit het verkeersonderzoek aan bij het aantal recreanten genoemd in het haalbaarheidsonderzoek. In wat appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het genoemde aantal van 350 tot 400 verkeersbewegingen per etmaal het aantal verkeersbewegingen dat de bezoekers van het park genereren in het verkeersonderzoek wordt onderschat.

Ten aanzien van het standpunt van appellanten dat in het verkeersonderzoek geen rekening is gehouden met de toename van het aantal verkeersbewegingen door fietsers en voetgangers, overweegt de Afdeling dat in het verkeersonderzoek per activiteit het totale aantal verkeersbewegingen is berekend. Daarin zitten dus ook de verkeersbewegingen van fietsers en voetgangers. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

Waar appellanten stellen dat de toename van het aantal verkeersbewegingen vanwege fietsende of wandelende recreanten leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen, heeft de raad toegelicht dat 100.000 bezoekers op jaarbasis op een gemiddelde zomerdag omgerekend zorgen voor ongeveer 40 verkeersbewegingen door fietsers en wandelaars per uur. Dit aantal komt de Afdeling niet onaannemelijk voor. Mede gelet op de omvang van het plangebied van 70 hectare is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat appellanten geen als onaanvaardbaar te beschouwen overlast van zich langs hun woningen bewegend fiets- en wandelverkeer zullen ervaren. Daarbij kan gelet op het beperkte verwachte aantal verkeersbewegingen van fietsers en wandelaars per uur, de vraag welke routes deze fietsers en wandelaars zullen gebruiken in het midden blijven.

Het betoog slaagt niet.

Financiële uitvoerbaarheid

17. Appellanten betogen dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Zij voeren daartoe aan dat de realisatie van het park kostbare investeringen vergt. Volgens hen biedt de tussen de gemeente en [bedrijf] gesloten anterieure overeenkomst daarvoor onvoldoende waarborgen. Verder voeren zij aan dat de loonkosten in de exploitatieberekening in het haalbaarheidsonderzoek van Leisure Brains te laag zijn ingeschat.

17.1. Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is.

De raad heeft aan het plan het haalbaarheidsonderzoek van Leisure Brains van 26 mei 2021 ten grondslag gelegd.

17.2. De Afdeling stelt vast dat in de anterieure overeenkomst staat dat [bedrijf] het park ontwikkelt op basis van het bij die overeenkomst horende Masterplan, Integraal ontwerp Projectlocatie en Planning. De Afdeling ziet, gelet op wat appellanten daarover aanvoeren, niet waarom de raad zijn besluit niet op het hiervoor genoemde onderzoek en fasering mocht baseren. Daarbij betrekt zij dat appellanten hun stelling dat de loonkosten te laag zijn ingeschat niet met concrete stukken hebben onderbouwd. In wat is aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand duidelijk is dat het plan financieel niet uitvoerbaar is.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

18. Gelet op wat onder 10.3 is overwogen is het beroep gegrond. De Afdeling ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 26 september 2023 in stand te laten. Zij verwijst op dit punt naar wat onder 10.4 tot en met 10.6 is overwogen.

19. De raad moet de proceskosten vergoeden. Het volgende is daarbij van belang.

De door appellanten opgegeven reiskosten voor [appellant 2] en [appellant 3], anders dan voor reizen met het openbaar vervoer, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat zij niet hebben onderbouwd waarom reizen met het openbaar vervoer voor hen niet mogelijk was. De Afdeling gaat bij het vaststellen van de hoogte van de reiskosten dan ook uit van reizen met het openbaar vervoer. De Afdeling ziet daarnaast geen aanleiding om appellanten een vergoeding toe te kennen voor reiskosten voor meer dan één persoon, omdat zij één beroepschrift hebben ingediend.

Overschrijding redelijke termijn

20. Appellanten hebben bij brief van 12 december 2025 verzocht om schadevergoeding, omdat de redelijke termijn is overschreden.

20.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift.

20.2. De Afdeling heeft het beroepschrift van appellanten op 12 december 2023 ontvangen. De redelijke termijn is in deze procedure dus met ruim vijf maanden overschreden.

20.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. De Afdeling ziet aanleiding om appellanten ieder een bedrag van € 125,00 toe te kennen. Deze matiging acht de Afdeling gerechtvaardigd omdat appellanten gezamenlijk procederen en zo de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure hebben kunnen delen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:245, onder 45.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep, voor zover dat is ingesteld door [appellant], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Beekdaelen van 26 september 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Groevepark Silt";

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder III bedoelde besluit geheel in stand blijven;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Beekdaelen tot vergoeding van bij [appellant 2], [appellant 3], [appellant 4] en [appellant 5] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.941,09, waarvan € 1.868,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Beekdaelen aan [appellant 2], [appellant 3], [appellant 4] en [appellant 5] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om [appellant 2], [appellant 3], [appellant 4] en [appellant 5] ieder te betalen een schadevergoeding van € 125,00.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.

w.g. Van Altena
voorzitter

w.g. Tieleman
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026

817-1136

BIJLAGE

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 191

1. Het beleid van de Unie op milieugebied draagt bij tot het nastreven van de volgende doelstellingen:

- behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu;

- bescherming van de gezondheid van de mens;

- behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

- bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen, en in het bijzonder de bestrijding van klimaatverandering.

2. De Unie streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio's van de Unie. Haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

In dit verband omvatten de aan eisen inzake milieubescherming beantwoordende harmonisatiemaatregelen, in de gevallen die daarvoor in aanmerking komen, een vrijwaringsclausule op grond waarvan de lidstaten om niet-economische milieuredenen voorlopige maatregelen kunnen nemen die aan een toetsingsprocedure van de Unie onderworpen zijn.

3. Bij het bepalen van haar beleid op milieugebied houdt de Unie rekening met:

- de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens;

- de milieuomstandigheden in de onderscheiden regio's van de Unie;

- de voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit optreden, onderscheidenlijk niet-optreden;

- de economische en sociale ontwikkeling van de Unie als geheel en de evenwichtige ontwikkeling van haar regio's.

4. In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Unie en de lidstaten samen met derde landen en de bevoegde internationale organisaties. De nadere regels voor de samenwerking van de Unie kunnen voorwerp zijn van overeenkomsten tussen de Unie en de betrokken derde partijen.

De eerste alinea doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om in internationale fora te onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 1.1.1

1. In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen;

[…]

Artikel 3.1.6

1. Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:

[…]

b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;

[…]

d. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek;

e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken;

f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

3. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.

Persaankondiging

Bestemmingsplan voor recreatiegebied in de Groeve Schinnen

Uitspraak over het bestemmingsplan ‘Groevepark Silt’ dat de gemeenteraad van Beekdaelen heeft vastgesteld. Het bestemmingsplan gaat over het groevegebied dat ten zuidwesten van Nagelbeek en Schinnen ligt, de zogenoemde Groeve Schinnen. Dit groevegebied is jarenlang gebruikt voor de winning van zand en grind. Verder is het terrein ten oosten van het groevegebied jarenlang gebruikt als vuilstort. Een zand- en grindhandel wil van het groevegebied een plek maken waar ‘natuur en recreatie samen komen’. Het bestemmingsplan maakt het mogelijk van het groevegebied een recreatiepark te maken met een recreatieplas, horeca en een wellnessgebouw. Op de voormalige vuilstortplaats komt een zonneweide met twee clusters zonnepanelen en een parkeerplaats voor de bezoekers van het recreatiepark. Een aantal omwonenden is tegen het bestemmingsplan in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vrezen voor overlast door bouwverkeer en afvoer van delfstoffen die vrijkomen bij het ontgraven van de recreatieplas en voor overlast van recreanten en schade aan hun woningen door verandering in de grondwaterstand. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 13 januari 2026 op zitting behandeld.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon