Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202505467/3/A2

Uitspraak 202505467/3/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3129
Datum uitspraak
29 mei 2026
Inhoudsindicatie
Tijdens de zitting op 13 mei 2026 heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraad mr. J.M. Willems als voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak belast met de behandeling van de zaak nr. 202505467/2/A2. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de staatsraad zich bij de behandeling van zijn zaak op de zitting vooringenomen en partijdig heeft gedragen. Volgens hem is er onder meer sprake van verkiezingsfraude en moeten al zijn zaken worden doorverwezen naar het Europese Hof van de Rechten van de Mens, het Hof van Justitie, het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Strafhof. De staatsraad heeft gereageerd op het wrakingsverzoek. Zij stelt dat [verzoeker] niet concreet heeft gemaakt waarom de rechterlijke onpartijdigheid in het geding is. Het lijkt erop dat de aanleiding van het wrakingsverzoek de aanwezigheid van een beveiliger in de zittingszaal is geweest. Noch de aanwezigheid van deze beveiliger, noch het feit dat [verzoeker] geen inhoudelijk antwoord kreeg waarom de beveiliger in de zittingzaal aanwezig was, is een omstandigheid waaruit partijdigheid of vooringenomenheid, dan wel de schijn daarvan, blijkt.
  • Wraking
  • Hoger Beroep - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202505467/3/A2.
Datum beslissing: 29 mei 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op het verzoek van:

[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,

om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Procesverloop

Tijdens de zitting op 13 mei 2026 heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraad mr. J.M. Willems als voorzitter van de Afdeling belast met de behandeling van de zaak nr. 202505467/2/A2.

De staatsraad heeft niet in de wraking berust.

De staatsraad heeft een schriftelijke reactie ingediend.

De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op een zitting behandeld op 26 mei 2026, waar [verzoeker] is verschenen.

De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.

Overwegingen

1.       Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Verzoek om wraking

2.       [verzoeker] heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de staatsraad zich bij de behandeling van zijn zaak op de zitting vooringenomen en partijdig heeft gedragen. Volgens hem is er onder meer sprake van verkiezingsfraude en moeten al zijn zaken worden doorverwezen naar het Europese Hof van de Rechten van de Mens, het Hof van Justitie, het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Strafhof.

Schriftelijke reactie van de staatsraad

3.       De staatsraad heeft gereageerd op het wrakingsverzoek. Zij stelt dat [verzoeker] niet concreet heeft gemaakt waarom de rechterlijke onpartijdigheid in het geding is. Het lijkt erop dat de aanleiding van het wrakingsverzoek de aanwezigheid van een beveiliger in de zittingszaal is geweest. Noch de aanwezigheid van deze beveiliger, noch het feit dat [verzoeker] geen inhoudelijk antwoord kreeg waarom de beveiliger in de zittingzaal aanwezig was, is een omstandigheid waaruit partijdigheid of vooringenomenheid, dan wel de schijn daarvan, blijkt. De staatsraad ziet verder geen objectiveerbare aanknopingspunten waaruit partijdigheid of vooringenomenheid van haar kant zou blijken.

Beoordeling van het verzoek

4.       Uit het proces-verbaal blijkt dat [verzoeker] de staatsraad wraakt nadat het onderzoek is gesloten. De aanleiding lijkt een vraag van [verzoeker] te zijn over de aanwezigheid van een beveiliger in de zittingszaal.

5.       De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het handelen van de staatsraad op de zitting een aanwijzing oplevert voor (de schijn van) vooringenomenheid of partijdigheid. Het verzoek bevat geen concrete feiten of omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven voor het oordeel dat de betreffende staatsraad de zaak niet onpartijdig heeft behandeld en is evenmin toegespitst op de wijze waarop zij de zaak ter zitting heeft behandeld. Hetgeen [verzoeker] in het kader van zijn verzoek heeft aangevoerd, levert dan ook geen feiten en omstandigheden op als bedoeld in artikel 8:15 van de Awb. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit het proces-verbaal van de zitting niet blijkt dat de staatsraad op een zodanige wijze vooruit is gelopen op de uitkomst van de zaak dat daaruit partijdigheid blijkt. [verzoeker] heeft ook verder geen objectieve feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat daarvan sprake is.

6.       [verzoeker] heeft in zijn pleitnota en op de wrakingszitting diverse inhoudelijke aspecten van onder andere de door hem gestelde verkiezingsfraude aan de orde gesteld. De taak van de wrakingskamer beperkt zich tot de beoordeling of de handelingen van de staatsraad blijk geven van vooringenomenheid en de wrakingskamer kan in dat verband alleen de vraag beantwoorden of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Dit is in de kern de wettelijke norm die is opgenomen in artikel 8:15 van de Awb. Aan de behandeling van de betogen van [verzoeker] die verband houden met de inhoudelijke kanten van de zaak gaat de wrakingskamer dan ook voorbij.

Conclusie

7.       Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek om wraking wordt afgewezen.

Misbruik van bevoegdheid

8.       [verzoeker] heeft in zaak nr. 202505467/2/A2 twee keer verzocht om wraking.

De Afdeling stelt vast dat uit het proces-verbaal van de zitting van 13 mei 2026 blijkt dat [verzoeker] pas na afloop van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak, naar aanleiding van een vraag over de aanwezigheid van een beveiliger in de zittingszaal, de staatsraad wraakt. Zijn wrakingsgronden zijn niet geconcretiseerd en niet toegespitst op (de behandeling van de zaak door) de staatsraad.

Het tweede wrakingsverzoek is op de wrakingszitting van 26 mei 2026 op grond van artikel 3, vijfde lid, in samenhang gelezen met het vierde lid, aanhef en onder d, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechtelijke colleges 2022 niet in behandeling genomen, omdat het verzoek betrekking heeft op het college als zodanig. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [verzoeker] zijn tweede wrakingsverzoek heeft verwerkt in zijn omvangrijke pleitnota en hierop pas aan het einde van de zitting - na enkel het toelichten van de conclusie van dit stuk - heeft gewezen. De gronden van zijn tweede wrakingsverzoek zijn daarnaast een herhaling van zijn eerdere wrakingsverzoek. De Afdeling verwijst naar hetgeen onder 6 is overwogen.

Naar het oordeel van de Afdeling moet de handelwijze van [verzoeker] gelet op deze omstandigheden worden gekwalificeerd als misbruik van de bevoegdheid om een verzoek om wraking in te dienen.

9.       Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding om op grond van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb, te bepalen dat een volgend verzoek om wraking van [verzoeker] in deze zaak, niet in behandeling wordt genomen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        wijst het verzoek af;

II.       bepaalt dat een volgend verzoek van [verzoeker] om wraking in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.

w.g. Drop
voorzitter

w.g. Van Ewijk
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026

867


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon