Uitspraak 202502238/3/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3080
- Datum uitspraak
- 28 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Tijdens de zitting op 8 mei 2026 heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraad mr. G.O. van Veldhuizen (de staatsraad) als lid van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaak nr. 202502238/1/A3. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij vreest dat de schijn bestaat dat de staatsraad niet onpartijdig kan oordelen in deze zaak. Op de zitting heeft [verzoeker] zijn wrakingsgrond nader toegelicht. Hij voert aan dat hij en de staatsraad 40 jaar geleden lid waren van dezelfde studentenvereniging. De staatsraad heeft destijds een hamer van hem gekregen bij het afbreken van een lustrumterrein in juli 1984. Die hamer is volgens [verzoeker] vervolgens zoekgeraakt en [verzoeker] en de staatsraad zijn toen een bedrag ter vergoeding overeengekomen en die is ook betaald. [verzoeker] verduidelijkt dat het incident met de hamer niet de kern van zijn verzoek vormt, maar ter illustratie dient. Het wrakingsverzoek is niet persoonlijk gericht naar de staatsraad. Het gaat [verzoeker] erom dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt door het lid zijn geweest van dezelfde studentenvereniging, terwijl deze vereniging volgens hem al eerder negatief in het nieuws is geweest om vriendjespolitiek, en dat zij zelfs jaargenoten van elkaar zijn geweest.
- Wraking
- Verordeningen
Toon inhoud
202502238/3/A3.
Datum beslissing: 28 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Procesverloop
Tijdens de zitting op 8 mei 2026 heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraad mr. G.O. van Veldhuizen (de staatsraad) als lid van de meervoudige kamer belast met de behandeling van de zaak nr. 202502238/1/A3.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De staatsraad heeft een schriftelijke reactie gegeven.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek ter zitting behandeld op 26 mei 2026, waar [verzoeker] is verschenen. De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Als maatstaf geldt dat een staatsraad uit hoofde van zijn aanstelling wordt verondersteld onpartijdig te zijn en dat het aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen.
Verzoek om wraking
3. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij vreest dat de schijn bestaat dat de staatsraad niet onpartijdig kan oordelen in deze zaak. Op de zitting heeft [verzoeker] zijn wrakingsgrond nader toegelicht. Hij voert aan dat hij en de staatsraad 40 jaar geleden lid waren van dezelfde studentenvereniging. De staatsraad heeft destijds een hamer van hem gekregen bij het afbreken van een lustrumterrein in juli 1984. Die hamer is volgens [verzoeker] vervolgens zoekgeraakt en [verzoeker] en de staatsraad zijn toen een bedrag ter vergoeding overeengekomen en die is ook betaald. [verzoeker] verduidelijkt dat het incident met de hamer niet de kern van zijn verzoek vormt, maar ter illustratie dient. Het wrakingsverzoek is niet persoonlijk gericht naar de staatsraad. Het gaat [verzoeker] erom dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt door het lid zijn geweest van dezelfde studentenvereniging, terwijl deze vereniging volgens hem al eerder negatief in het nieuws is geweest om vriendjespolitiek, en dat zij zelfs jaargenoten van elkaar zijn geweest. Volgens hem bestaat het gevaar dat anderen zullen denken dat de staatsraad om deze reden vooringenomen zal zijn.
Reactie van de staatsraad
4. De staatsraad heeft er in zijn schriftelijke reactie op gewezen dat het lid zijn geweest van dezelfde studentenvereniging geen reden is tot wraking en dat hij geen herinnering heeft aan een niet teruggegeven, maar wel betaalde, hamer.
Beoordeling van het verzoek
5. In wat [verzoeker] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de schijn van vooringenomenheid bestaat. Het enkele feit dat [verzoeker] en de staatsraad veertig jaar geleden jaargenoten waren van de studentenvereniging in kwestie is daarvoor onvoldoende. [verzoeker] heeft niet gesteld dat er destijds meer dan enkel terloopse contacten zijn geweest, zoals het voorval met de hamer illustreert. [verzoeker] heeft desgevraagd ter zitting voorts aangegeven dat er met de staatsraad geen enkel contact meer is geweest sinds de studententijd 40 jaar geleden. Er is dan ook geen sprake van een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de staatsraad een vooringenomenheid koestert jegens [verzoeker], of dat de vrees daarvoor objectief valt te rechtvaardigen.
Conclusie
6. Gelet op het voorgaande, komt de Afdeling tot het oordeel dat [verzoeker] geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De Afdeling wijst het verzoek om wraking daarom af.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. M.J.M. Ristra-Peeters en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026
979