Uitspraak 202406821/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2962
- Datum uitspraak
- 26 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202406821/1/V2.
Datum uitspraak: 26 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 4 november 2024 in zaak nr. NL24.29329 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 4 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.I.T. Sopacua, advocaat in Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De eerste grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht het risicoprofielenbeleid heeft toegepast. Appellant betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zich in zijn geval een bijzondere omstandigheid voordoet, op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op het uitgangspunt dat een aanvraag wordt getoetst aan het beleid dat geldt ten tijde van het nemen van het besluit. Als de minister namelijk binnen de wettelijke termijn op zijn asielaanvraag van 19 september 2022 had beslist, zou hem op grond van het risicogroepenbeleid voor Gülenaanhangers, zoals hij dat tot 1 december 2023 toepaste, een verblijfsvergunning zijn verleend. Appellant wijst daarbij op het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
1.1. Hoewel appellant terecht stelt dat het tot 1 december 2023 geldende beleid voor Gülenaanhangers ruimhartiger was, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1739, onder 3.3, dat de rechtbank in de omstandigheid dat de minister de wettelijke beslistermijn niet in acht heeft genomen, terecht geen aanleiding heeft gezien om een bijzonder geval als hiervoor bedoeld aan te nemen.
1.2. De grief slaagt niet.
2. De tweede grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije 2023 niet kan worden afgeleid dat de situatie voor Gülenaanhangers dusdanig is dat de minister de systematische vervolging van die groep had moeten opnemen in het vanaf 1 december 2023 geldige beleid. In de uitspraak van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1607, onder 7.7-7.10, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister redelijkerwijs tot de vanaf 1 december 2023 geldende wijziging van het beleid voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten (WBV 2023/24) heeft kunnen komen. Wat appellant aanvoert over de situatie voor Gülenisten in Turkije, heeft de Afdeling bij dat oordeel betrokken en voor zover dit niet het geval is, komt de overgelegde informatie inhoudelijk in essentie overeen met de in die uitspraak betrokken bronnen. Dit leidt daarom niet tot een ander oordeel.
2.1. De grief slaagt niet.
3. Wat appellant aanvoert in de overige grieven leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026
915-1163