Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202601058/1/A3 en 202601058/2/A3

Uitspraak 202601058/1/A3 en 202601058/2/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2957
Datum uitspraak
26 mei 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 1 oktober 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen de standplaatsvergunningen van Brabantfruit van 27 oktober 2014 en van 7 maart 2018 ingetrokken. Aan [verzoeker] zijn in 2014 en 2018 vergunningen verleend voor het innemen van een standplaats met een groente- en fruitkraam op de weekmarkt in Assen. De vergunningen golden voor de woensdagen en zaterdagen. In 2018 zijn de werkzaamheden voortgezet door Brabantfruit, waarvan [verzoeker] de bestuurder is en de feitelijke leidinggevende. Het college heeft op grond van het LBB-advies de verleende standplaatsvergunningen ingetrokken op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Brabantfruit en [verzoeker], als feitelijke leidinggever, zijn veroordeeld voor handelen in strijd met de AWR in verband met de aangiften loonbelasting in de jaren 2018-2023.
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Wet Bibob

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202601058/1/A3 en 202601058/2/A3.
Datum uitspraak: 26 mei 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

Brabantfruit B.V., gevestigd in Rolde, gemeente Aa en Hunze, en [verzoeker], wonend in Assen,

verzoekers,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland (de rechtbank) van 9 april 2026 in zaken nrs. 26/318 in het geding tussen:

Brabantfruit en [verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2025 heeft het college de standplaatsvergunningen van Brabantfruit van 27 oktober 2014 en van 7 maart 2018 ingetrokken.

Bij besluit van 14 januari 2026 heeft het college het door Brabantfruit en [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1122, heeft de rechtbank het door Brabantfruit en [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben Brabantfruit en [verzoeker] hoger beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 april 2026, waar Brabantfruit en [verzoeker], bijgestaan door mr. D. de Jong-Van de Berkt, advocaat in Assen, en vergezeld door [persoon], allen via een videoverbinding, en het college, vertegenwoordigd door M. Entjes, bijgestaan door mr. J.H. Meijer, advocaat in Arnhem, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Wettelijk kader

2.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

3.       Aan [verzoeker] zijn in 2014 en 2018 vergunningen verleend voor het innemen van een standplaats met een groente- en fruitkraam op de weekmarkt in Assen. De vergunningen golden voor de woensdagen en zaterdagen. In 2018 zijn de werkzaamheden voortgezet door Brabantfruit, waarvan [verzoeker] de bestuurder is en de feitelijke leidinggevende.

Besluitvorming

4.       Naar aanleiding van een tip van het Openbaar Ministerie heeft het college het Landelijk Bureau Bibob (LBB) verzocht om een advies uit te brengen. Dat heeft het LBB op 12 juni 2025 gedaan. Het LBB heeft in het advies geconcludeerd dat een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (de a-grond). Het LBB heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [verzoeker] op 13 augustus 2020 onherroepelijk is veroordeeld voor het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting over de jaren 2014 tot en met 2018, in strijd met artikel 68, eerste lid, en 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) . Daarnaast bestonden er ernstige vermoedens dat Brabantfruit in strijd met artikel 69, tweede lid, van de AWR heeft gehandeld wegens het onjuist of onvolledig doen van aangiften loonbelasting in de jaren 2018-2023. Het LBB is uit navraag bij de Belastingdienst gebleken dat nog schulden van € 152.753 aan omzetbelasting en € 93.173 aan loonbelasting openstaan. De Belastingdienst heeft naheffingsaanslagen opgelegd, maar die zijn niet voldaan. Het LBB ziet de genoemde bedragen als wederrechtelijk verkregen financieel voordeel en acht dit voordeel zeer groot. Ook is het LBB tot de conclusie gekomen dat een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede gebruikt zullen worden om strafbare feiten te plegen (de b-grond). Hiertoe acht het LBB, naast het hiervoor genoemde (vermoeden van) handelen in strijd met de AWR door Brabantfruit en [verzoeker], onder meer van belang dat er ernstige vermoedens bestaan dat [verzoeker] valsheid in geschrifte heeft gepleegd bij het invullen van het Bibob-formulier ter behoud van de vergunningen, en hem een transactie is opgelegd voor het plegen van oplichting.

Het college heeft op grond van het LBB-advies de verleende standplaatsvergunningen ingetrokken op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Brabantfruit en [verzoeker], als feitelijke leidinggever, zijn bij strafrechtelijke vonnissen van 15 september 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5565, onderscheidenlijk ECLI:NL:RBOVE:2025:5568, veroordeeld voor handelen in strijd met de AWR in verband met de aangiften loonbelasting in de jaren 2018-2023. De rechtbank is in die vonnissen uitgegaan van een fiscaal nadeel van € 77.434. De rechtbank heeft Brabantfruit veroordeeld tot een geldboete van € 10.000. [verzoeker] is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, is voor de duur van vijf jaar ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van statutair bestuurder of feitelijk bestuurder en de rechtbank heeft de tenuitvoerlegging bevolen van de bij vonnis van 13 augustus 2020 voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Tegen beide veroordelingen is hoger beroep ingesteld. Het college heeft het intrekkingsbesluit in heroverweging gehandhaafd.

Aangevallen uitspraak

5.       De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat het college op grond van de Wet Bibob bevoegd is om de vergunningen in te trekken. Het college heeft tot de conclusie kunnen komen dat vanwege de aard, omvang en duur van de vastgestelde strafbare feiten geen aanleiding bestond om te volstaan met het verbinden van voorschriften aan de vergunningen. Ook heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat de intrekking van de vergunningen evenredig is. Het belang van Brabantfruit en [verzoeker] bij het behoud van de vergunningen weegt niet op tegen het belang van het voorkomen van het faciliteren van strafbare feiten. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Hoger beroep

6.       Brabantfruit en [verzoeker] betogen dat de rechtbank de evenredigheidstoets niet (voldoende) kenbaar heeft verricht. De rechtbank heeft niet inzichtelijk beoordeeld of de maatregel noodzakelijk is, in die zin dat moet worden onderzocht of met een minder belastende maatregel hetzelfde doel kan worden bereikt. De rechtbank had moeten beoordelen of de door hen voorgestelde voorschriften of andere voorschriften een minder belastend en effectief alternatief vormen voor de intrekking. Ook heeft de rechtbank niet onderzocht waarom de ingrijpende gevolgen in dit concrete geval evenwichtig worden geacht. Als Brabantfruit en [verzoeker] geen standplaats meer mogen innemen wordt onder meer een omzetverlies van ongeveer € 25.000 tot € 30.000 per week geleden, terwijl de vaste verplichtingen doorlopen. Dit bedreigt de continuïteit van de onderneming. Temeer omdat de gemeente Aa en Hunze, waar zij ook één dag in de week standplaats innemen, overeenkomstig de uitkomst in deze zaak zal handelen. Verder wijzen Brabantfruit en [verzoeker] erop dat zij per direct werknemers moeten ontslaan.

6.1.    In artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob is voor het college de discretionaire bevoegdheid opgenomen om voorschriften aan de vergunningen te verbinden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 20 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2905, geeft dit artikel voor de beoordeling van de noodzakelijkheid in beginsel het toetsingskader. Deze bevoegdheid bestaat onder meer in gevallen waarin sprake is van een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten een intrekking niet rechtvaardigt. Brabantfruit en [verzoeker] hebben het ernstige gevaar niet betwist. Het college heeft de strafbare feiten, zoals onder 4 vermeld, dusdanig ernstig mogen vinden, dat een intrekking van de vergunningen in dit geval noodzakelijk is en dat niet kon worden volstaan met het verbinden van voorschriften aan de vergunningen. Dergelijke voorschriften zouden op het te beperken of weg te nemen gevaar moeten worden toegespitst. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat voorschriften onvoldoende voorkomen dat de vergunningen mede worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Het college heeft daarbij het repeterende en stelselmatig handelen in strijd met de AWR mogen betrekken. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

6.2.    Op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob vindt intrekking slechts plaats als deze evenredig is met de mate van gevaar en de ernst van de strafbare feiten. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 20 mei 2026, ligt in dit artikellid besloten dat de evenwichtigheid van een intrekking moet worden getoetst als onderdeel van de beoordeling van de evenredigheid. De wijze waarop die beoordeling moet worden uitgevoerd is gelijk aan de manier waarop dat op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb moet gebeuren. Daarbij moeten de individuele gevolgen van het besluit worden betrokken.

De rechtbank heeft in 6.3 van haar uitspraak de evenwichtigheid van de intrekking van de standplaatsvergunningen beoordeeld. In wat Brabantfruit en [verzoeker] hebben aangedragen, ligt geen reden om die beoordeling onjuist te achten. Dat de onderneming feitelijk niet meer kan worden uitgebaat en geen inkomsten meer kan genereren, zijn gevolgen die onlosmakelijk zijn verbonden aan de intrekking. Het college heeft de (financiële) belangen van Brabantfruit en [verzoeker] in het besluit van 1 oktober 2025 betrokken, maar geoordeeld dat het belang van het nakomen van de wet- en regelgeving zwaarder weegt dan het belang bij het behoud van de vergunningen. Ook in het besluit op bezwaar is onderkend dat intrekking van de standplaatsvergunningen de nodige impact heeft. Brabantfruit en [verzoeker] hebben ter zitting nog aangevoerd dat het financiële voordeel waarvan het LBB en het college zijn uitgegaan niet zonder meer vaststaat. Onweersproken is gesteld dat alleen tegen de naheffingsaanslagen die aan Brabantfruit zijn opgelegd, nog procedures tegen de Belastingdienst lopen. De omzetbelastingschuld van [verzoeker] van € 152.753 staat daarmee wel vast. Alleen al op basis van dit bedrag heeft het college ervan mogen uitgaan dat er een zeer groot wederrechtelijk financieel voordeel is genoten. Het college heeft op goede gronden het belang van het voorkomen van het faciliteren van strafbare feiten, gezien de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten, zwaarder mogen laten wegen dan het belang van Brabantfruit en [verzoeker]. Het feit dat de uitkomst van deze zaak doorwerkt in de zaak bij de gemeente Aa en Hunze kan, wat daarvan ook zij, op dit punt niet tot een ander oordeel leiden. Dat gaat om een onzekere toekomstige gebeurtenis.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie en proceskosten

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Drop
voorzieningenrechter

w.g. Konings
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026

612.

BIJLAGE

Wettelijk kader

Wet Bibob

Artikel 3

1 Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

[…]

5 De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

6 Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

7 Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. Het bestuursorgaan heeft eenzelfde bevoegdheid indien sprake is van een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuursorgaan kan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift wijzigen. Indien niet wordt voldaan aan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift, kan het bestuursorgaan de beschikking intrekken.|

Artikel 7

1 Een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, kan door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

2 Voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, kan het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester het Bureau om een advies vragen.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon