Uitspraak BRS.25.000974
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2878
- Datum uitspraak
- 22 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 26 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in kennis gesteld van zijn besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen (het verlengingsbesluit).
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.000974
ECLI:NL:RVS:2026:2878
Datum uitspraak: 22 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 25 juli 2025 in zaak nr. NL25.24551 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij brief van 26 mei 2025 heeft de minister betrokkene in kennis gesteld van zijn besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen (het verlengingsbesluit).
Bij uitspraak van 25 juli 2025 heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het verlengingsbesluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Het hoger beroep van de minister
1. De minister klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij ten onrechte de overdrachtstermijn heeft verlengd, omdat betrokkene het vermoeden dat zij met onbekende bestemming is vertrokken met de bedoeling om de overdracht te voorkomen heeft weerlegd. De rechtbank heeft hiervoor ten onrechte doorslaggevend geacht dat er op de datum dat betrokkene met onbekende bestemming is vertrokken nog geen concrete overdrachtsdatum aan Zwitserland bekend was en dat er nog geen vertrekgesprek met betrokkene was gepland. Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4498, onder 3.2.
1.1. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep van betrokkene
3. In beroep heeft betrokkene aangevoerd dat zij door haar ernstige psychische klachten het azc heeft moeten verlaten. Betrokkene betoogt dat zij slechts tijdelijk buiten beeld is en dat zij niet doelbewust heeft geprobeerd om de overdracht te voorkomen.
3.1. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punten 62, 65 en 70, volgt dat de minister, als de betrokken vreemdeling zijn toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de autoriteiten hiervan op de hoogte te brengen, ervan mag uitgaan dat hij de bedoeling had onder te duiken om de overdracht te voorkomen, op voorwaarde dat hij zich bewust was van zijn verplichtingen. Het is vervolgens aan de betrokken vreemdeling om aannemelijk te maken dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij niet de bedoeling had zich te onttrekken aan de autoriteiten.
3.2. Uit de medische stukken en de melding calamiteiten volgt weliswaar dat betrokkene psychische klachten heeft, maar daaruit volgt op zichzelf niet dat betrokkene als gevolg van haar klachten niet in staat was om de autoriteiten in te lichten over haar afwezigheid. Ook volgt uit deze stukken niet dat zij door haar psychische klachten niet op het azc kon verblijven. Betrokkene heeft hiermee dus niet aannemelijk gemaakt dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over haar afwezigheid en dat zij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan de overdracht.
3.3. De beroepsgrond slaagt niet.
Geen aanleiding voor prejudiciële vragen
4. Uit wat hiervoor onder 1, 3.1 en 3.2 is overwogen, volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie beroep
5. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 25 juli 2025 in zaak nr. NL25.24551;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026
846-1122