Uitspraak BRS.26.001180
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2551
- Datum uitspraak
- 6 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.001180
ECLI:NL:RVS:2026:2551
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 maart 2026 in zaak nr. NL26.9720 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 5 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat in Lelystad, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Met zijn enige grief komt de minister terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar het reële risico op een schending van het beginsel van non-refoulement. De minister heeft in het gehoor voorafgaand aan de bewaring aan betrokkene gevraagd of er redenen zijn waarom hij niet terug zou kunnen keren naar Tunesië. Daarop heeft hij geantwoord dat hij Tunesië al in 2009 heeft verlaten en daar geen familie heeft. De minister heeft ook aan betrokkene gevraagd of hij problemen met de Tunesische overheid heeft. Daarop heeft hij geantwoord dat hij geen problemen heeft. De Afdeling volgt de rechtbank niet in het oordeel dat de minister hiermee onvoldoende vragen heeft gesteld om te kunnen beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van betrokkene verzet. De minister betoogt namelijk terecht dat hij zijn vragen niet alleen heeft toegespitst op de Tunesische overheid, maar ook op Tunesië in algemene zin. In de maatregel van bewaring heeft de minister onder het tussenkopje ‘Beginsel van non-refoulement’ onder verwijzing naar de verklaringen van betrokkene geconstateerd dat er niet is gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende omstandigheden waaruit blijkt dat betrokkene bij terugkeer een reëel risico loopt dat hij zal worden onderworpen aan de doodstraf, aan foltering of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Hiermee heeft de minister voldoende kenbaar het reële risico op een schending van het beginsel van non-refoulement beoordeeld. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 15.1. De minister betoogt terecht dat de rechtbank dat niet heeft onderkend.
1.1. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
3. Betrokkene betoogt dat de minister hem niet in bewaring had mogen stellen, omdat aan hem een declaratoir verblijfsrecht toekomt op grond van het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354. Hij heeft namelijk drie minderjarige kinderen die in Nederland wonen en de Nederlandse nationaliteit hebben. Betrokkene heeft zijn betoog op de volgende feiten gebaseerd. Hij heeft op 25 april 2023 een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000. De minister heeft die aanvraag bij besluit van 19 december 2024 afgewezen. Het door betrokkene daartegen gemaakte bezwaar heeft de minister bij besluit van 30 april 2025 ongegrond verklaard. Betrokkene had tegen dat besluit beroep ingesteld, maar hij heeft dat beroep op 21 januari 2026 weer ingetrokken. Hij heeft niet gesteld dat hij sindsdien een opvolgende aanvraag heeft ingediend.
3.1. Uit het voorgaande volgt dat betrokkene een inmiddels in rechte onaantastbaar besluit op zijn aanvraag om toetsing aan het Unierecht heeft gekregen. Omdat hij zich tijdens de inbewaringstelling op het standpunt stelt dat hij een declaratoir verblijfsrecht op grond van het Unierecht heeft zonder een opvolgende aanvraag daarvoor in te dienen, blijft de vaste rechtspraak van de Afdeling van toepassing dat de bewaringsrechter kan toetsen of een vreemdeling een declaratoir verblijfsrecht op grond van het Unierecht heeft, als een vreemdeling daarvoor geen aanvraag heeft ingediend of de minister naar aanleiding van een aanvraag nog geen besluit heeft genomen. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 12 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2530, onder 16 en 16.3, en 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3262, onder 8. De bewaringsrechter mag dit doen, omdat de vraag of een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft, nauw samenhangt met de vraag of de minister de maatregel van bewaring op de juiste wettelijke grondslag heeft opgelegd.
3.2. Omdat betrokkene sinds de dag dat de minister hem in bewaring heeft gesteld geen opvolgende aanvraag heeft ingediend, kan de rechter in dit geding toetsen of hij op het moment dat de minister hem in bewaring heeft gesteld een declaratoir verblijfsrecht op grond van het Unierecht had. Dit betekent dat de Afdeling zal toetsen of betrokkene aan de vereisten van paragraaf B10/2.5.1 van de Vc 2000 voldoet. De minister heeft zich in de maatregel van bewaring en het verweerschrift in beroep terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene niet aan die vereisten voldoet, omdat hij niet met stukken heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk voor zijn drie kinderen zorgt en ook niet dat een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen hem en zijn kinderen waardoor zij gedwongen worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als de minister betrokkene een verblijfsrecht weigert. Betrokkene woont namelijk niet met zijn kinderen samen en heeft niet met stukken onderbouwd dit in het verleden wel te hebben gedaan. Ook heeft hij geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht. Betrokkene heeft in beroep geen aanvullende stukken overgelegd of informatie verschaft waaruit het tegendeel blijkt. De Afdeling concludeert daarom dat betrokkene op het moment dat de minister hem in bewaring heeft gesteld noch op het moment dat de Afdeling uitspraak doet geen declaratoir verblijfsrecht op grond van het Unierecht heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Betrokkene betoogt ook dat hij drie dagen zonder geldige titel is opgehouden. In de maatregel van bewaring staat weliswaar dat betrokkene op 13 februari 2026 uit het strafrechtelijke traject is overgenomen en opgehouden voor de Vreemdelingenwet, maar dit berust op een kennelijke verschrijving. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek volgt namelijk dat betrokkene op 16 februari 2026 is overgenomen en opgehouden en dat hij diezelfde dag in bewaring is gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Betrokkene betwist ook de gronden die de minister aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. De minister heeft terecht de zware grond 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. De minister heeft feitelijk toegelicht dat betrokkene als vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, niet onmiddellijk van zijn aanwezigheid in persoon melding heeft gemaakt bij de korpschef en dit erkent betrokkene ook. De minister heeft ook terecht de zware grond 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. De minister heeft feitelijk toegelicht dat hij op 2 april 2021 een terugkeerbesluit heeft genomen met een vertrektermijn van 0 dagen en dat betrokkene zich daar niet aan heeft gehouden. Bij de zware gronden 3b en 3c kan de minister volstaan met een toelichting die laat zien dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Dit volgt bijvoorbeeld uit de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3442, onder 5.2 en 5.3. Omdat de zware gronden 3b en 3c samen voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen (artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000), geeft de Afdeling geen oordeel meer over wat betrokkene heeft aangevoerd over de lichte gronden 4a, 4c en 4d. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Betrokkene betoogt ook dat de maatregel van bewaring op een onjuiste grondslag berust, omdat er geen risico is dat hij zich aan het toezicht onttrekt. Uit wat de Afdeling onder 5 heeft overwogen over de zware gronden 3b en 3c volgt echter al dat zo’n onttrekkingsrisico bestaat. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Betrokkene betoogt ook dat de minister ten onrechte niet heeft volstaan met een lichter middel. Betrokkene betoogt dat hij tot 21 januari 2026 rechtmatig verblijf had, omdat tot dat moment nog een procedure liep over zijn aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000. Daarom mocht de minister volgens betrokkene niet van hem verwachten dat hij vrijwillig zijn vertrek ging regelen. De minister heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene een meldplicht bij de politie had en dat hij zich daar niet altijd aan heeft gehouden. Daarnaast weigert betrokkene volgens de minister om terug te keren naar Tunesië en bestaat er een risico dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Betrokkene heeft deze omstandigheden niet betwist. Gelet op het voorgaande heeft de minister deugdelijk gemotiveerd waarom hij niet heeft volstaan met een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
8. In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst daarom het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 maart 2026 in zaak nr. NL26.9720;
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
985