Uitspraak BRS.26.001551 en BRS.26.001553
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2468
- Datum uitspraak
- 1 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 maart 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001551 en BRS.26.001553
ECLI:NL:RVS:2026:2468
Datum uitspraak: 1 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant], mede namens haar minderharige kind,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 25 maart 2026 in zaak nr. NL26.12096 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 3 maart 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 25 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. L.I. Siers, advocaat in Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een nader stuk ingediend, waarop de gemachtigde van appellant heeft gereageerd.
Overwegingen
1. Dat wat appellant heeft aangevoerd in de eerste en tweede grief, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat uit het EU-VIS blijkt dat het Nederlandse consulaat een visum heeft afgegeven ter vertegenwoordiging van Duitsland. Zij heeft in wat appellant heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gezien om aan de juistheid van die informatie te twijfelen. Dat betekent dat Duitsland op grond van artikel 12 van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van appellant. Gelet hierop, slaagt het betoog van appellant dat het voor haar niet duidelijk was dat het visum ter vertegenwoordiging van Duitsland is afgegeven, niet. Met de acceptatie van het overnameverzoek heeft Duitsland bovendien onderschreven dat het visum voor verblijf in Duitsland is afgegeven.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de vraag of artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening buiten toepassing moet worden gelaten als gevolg van een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het hoger beroep leidt ook voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft verder niet te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hoger beroep in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hoger beroep verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. De Moor-Van Vugt
voorzieningenrechter
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026
915-1163