Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.001788 en BRS.26.001853

Uitspraak BRS.26.001788 en BRS.26.001853

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2467
Datum uitspraak
1 mei 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 14 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Appellant komt uit Syrië en heeft gelijktijdig met zijn echtgenote, op 29 september 2024, in Nederland een asielaanvraag ingediend. De minister heeft zijn aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat is gebleken dat appellant sinds 14 februari 2023 internationale bescherming geniet in Bulgarije. De echtgenote van appellant heeft voor het eerst in Nederland asiel aangevraagd en is nog in afwachting van een besluit op haar aanvraag. Tijdens de asielprocedure is zij bevallen van een dochter en inmiddels is zij in verwachting van een tweede kind.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.001788 en BRS.26.001853
ECLI:NL:RVS:2026:2467
Datum uitspraak: 1 mei 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 2 april 2026 in zaak nr. NL25.13488 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 2 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. V.M. Oliana, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.        Appellant komt uit Syrië en heeft gelijktijdig met zijn echtgenote, op 29 september 2024, in Nederland een asielaanvraag ingediend. De minister heeft zijn aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat is gebleken dat appellant sinds 14 februari 2023 internationale bescherming geniet in Bulgarije. De echtgenote van appellant heeft voor het eerst in Nederland asiel aangevraagd en is nog in afwachting van een besluit op haar aanvraag. Tijdens de asielprocedure is zij bevallen van een dochter en inmiddels is zij in verwachting van een tweede kind.

2.        Naar het oordeel van de voorzieningenrechter van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen verplichting bestond voor de minister om de asielaanvragen van appellant en zijn echtgenote gezamenlijk te behandelen, omdat zij ieder met een andere verblijfsrechtelijke status in Nederland zijn aangekomen. In dat kader is de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2668, onder 6, van belang. Daarin heeft de Afdeling overwogen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 22 februari 2022, XXXX, ECLI:EU:C:2022:103, volgt dat in een situatie waarin een vreemdeling al internationale bescherming geniet in een andere lidstaat en in Nederland verzoekt om internationale bescherming om herenigd te kunnen worden met zijn gezinsleden, de minister bevoegd is om die asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn. De enige uitzondering daarop is als die vreemdeling wegens de omstandigheden in de lidstaat waar hij internationale bescherming geniet, dreigt in een situatie te komen die strijd zal opleveren met artikel 4 van het EU Handvest. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat deze uitzondering zich hier niet voordoet niet bestreden en ook anderszins zijn er geen redenen om daarvan uit te gaan.

2.1.        Voor zover appellant betoogt dat de minister bij het niet-ontvankelijk verklaren van zijn asielaanvraag zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van het familie- en gezinsleven en de belangen van het minderjarige kind en het ongeboren kind van appellant, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister er in het besluit terecht op heeft gewezen dat appellant en zijn echtgenote kunnen beslissen om samen met hun kind(eren) naar Bulgarije te gaan om daar een bestaan op te bouwen.

2.2.        Anders dan appellant betoogt, ligt het in deze procedure niet op de weg van de minister om aan de Bulgaarse autoriteiten individuele garanties te vragen voor de zwangere echtgenote van appellant en hun minderjarig kind. De vraag of individuele garanties moeten worden gevraagd komt namelijk pas aan bod op het moment in geval van overdracht van de echtgenote naar Bulgarije. Zie het arrest van het Hof van 29 februari 2024, X, ECLI:EU:C:2024:195, punt 80. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de echtgenote nog in afwachting is van een besluit op haar aanvraag en dat er op dit moment dan ook geen verplichting bestaat voor haar en het minderjarige kind om zich naar Bulgarije te begeven.

2.3.        Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vragen kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof, zoals toegepast door de Afdeling. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

3.        Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.        wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Kuijer
voorzieningenrechter

w.g. Weber
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026

907


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon