Uitspraak BRS.26.001329 en BRS.26.001332
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2233
- Datum uitspraak
- 24 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 februari 2026 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit). Bij besluit van diezelfde datum heeft de minister hem in bewaring gesteld.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.001329 en BRS.26.001332
ECLI:NL:RVS:2026:2233
Datum uitspraak: 24 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 12 maart 2026 in zaken nrs. NL26.11298 en NL26.11318 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 25 februari 2026 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit). Bij besluit van diezelfde datum heeft de minister hem in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 maart 2026 heeft de rechtbank de daartegen door appellant ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister in het terugkeerbesluit en in de maatregel van bewaring deugdelijk heeft gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van appellant naar Guinee-Bissau verzet. Weliswaar heeft de minister, zoals appellant terecht stelt, daarbij artikel 3 en artikel 8 genoemd, zonder te vermelden dat het om artikelen uit het EVRM gaat, maar het was duidelijk dat hij daarbij dit verdrag voor ogen had. Hij heeft bij artikel 3 immers vermeld dat appellant heeft aangegeven geen gevaar te lopen in Guinee-Bissau en dat hij daar gewoon veilig naar toe kan gaan. Daarmee heeft de minister kenbaar het beginsel van non-refoulement bij zijn besluiten betrokken en kon de rechtbank die motivering toetsen op de wijze als voorgeschreven in het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647. Hoewel het Hof in dat arrest voor het beginsel van non-refoulement verwijst naar artikel 19, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 4, van het EU Handvest, heeft de rechtbank, anders dan appellant heeft betoogd, ook terecht in de bewoordingen van dat arrest geen verplichting gelezen dat het beginsel van non-refoulement in de maatregel van bewaring alleen onder vermelding van die artikelen mag worden beoordeeld.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag of de motivering van de minister in zijn besluiten dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van appellant naar Guinee-Bissau verzet voldoet, kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. De voorzieningenrechter van de Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026
47