Uitspraak BRS.26.001438 en BRS.26.001440
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2321
- Datum uitspraak
- 24 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen vier weken na 4 september 2025 te verlaten.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001438 en BRS.26.001440
ECLI:NL:RVS:2026:2321
Datum uitspraak: 24 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 26 februari 2026 in zaak nr. NL25.43854 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 augustus 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen vier weken na 4 september 2025 te verlaten.
Bij uitspraak van 26 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Wat appellant in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, voldoet niet aan de wet (artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt, uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Dat heeft appellant niet gedaan. De rechtbank heeft overwogen dat het terugkeerbesluit niet te vroeg is genomen, omdat niet is gebleken dat appellant op het moment dat het terugkeerbesluit werd genomen nog in het bezit was van een verblijfsvergunning, of dat hij een aanvraag daarvoor had lopen. Ook overweegt de rechtbank dat de bevriezingsmaatregel niets anders was dan een feitelijke opschorting van de gevolgen van de beëindiging van de tijdelijke bescherming en daarmee niet gold als rechtmatig verblijf. Appellant klaagt alleen over het feit dat de gemeente Tilburg zou hebben beslist dat hij de opvang moet verlaten. Appellant legt hiermee niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Omdat het hogerberoepschrift dus niet aan de eisen van de wet voldoet, kan de voorzieningenrechter van de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep. Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst de voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Heinen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026
984