Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202600349/1/A2

Uitspraak 202600349/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2413
Datum uitspraak
29 april 2026
Inhoudsindicatie
Bij beslissing van 4 februari 2025 hebben de examinatoren de door [appellant] gevolgde derdejaars stage beoordeeld met een onvoldoende. [appellant] is student bij het Instituut voor de Gebouwde Omgeving. In het kader van zijn studie heeft hij een stage gevolgd. Tijdens de stageperiode is [appellant] begeleid door een docentbegeleider en een bedrijfsbegeleider. De docentbegeleider is ook een van de twee examinatoren. In het beoordelingsformulier heeft de bedrijfsbegeleider de stage beoordeeld met het cijfer 6,5. De docentbegeleider heeft nadien overleg gehad met de bedrijfsbegeleider. Dat heeft ertoe geleid dat de stage alsnog met een onvoldoende is beoordeeld.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202600349/1/A2.
Datum uitspraak: 29 april 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,

en

het college van beroep voor de examens van Hogeschool Rotterdam (CBE),
verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 4 februari 2025 hebben de examinatoren de door [appellant] gevolgde derdejaars stage beoordeeld met een onvoldoende.

Bij beslissing van 15 december 2025 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. A. Sanders en J. Oegema, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] is student bij het Instituut voor de Gebouwde Omgeving. In het kader van zijn studie heeft hij een stage gevolgd. Tijdens de stageperiode is [appellant] begeleid door een docentbegeleider en een bedrijfsbegeleider. De docentbegeleider is ook een van de twee examinatoren.

In het beoordelingsformulier heeft de bedrijfsbegeleider de stage beoordeeld met het cijfer 6,5. De docentbegeleider heeft nadien overleg gehad met de bedrijfsbegeleider. Dat heeft ertoe geleid dat de stage alsnog met een onvoldoende is beoordeeld.

Besluitvorming

2.       Het CBE heeft zich in de beslissing van 15 december 2025 op het standpunt gesteld dat de beoordeling voldoende is gemotiveerd. Het beoordelingsformulier van de examinatoren bevat een onderbouwing van de beoordeling. Het CBE heeft daarbij betrokken dat de beoordeling van de stage door de bedrijfsbegeleider slechts een advies aan de examinatoren is en dat de examinatoren daaraan niet zijn gebonden. Dat [appellant] niet aanwezig is geweest bij een overleg tussen de docentbegeleider en de bedrijfsbegeleider, maakt niet dat de beoordelingsprocedure niet transparant is verlopen. Dat de bedrijfsbegeleider zijn advies na dit overleg heeft aangepast, maakt dit niet anders, aldus het CBE.

Beroep

3.       [appellant] betoogt dat het CBE heeft miskend dat geen transparante beoordelingsprocedure heeft plaatsgevonden. Hij vindt dat het overleg tussen de docentbegeleider en de bedrijfsbegeleider niet buiten zijn aanwezigheid had mogen plaatsvinden.

3.1.    In paragraaf 4.1 van de Modulewijzer bij het vak is onder meer het volgende vermeld over de beoordelingsprocedure. Aan het einde van de stage heeft de student een beoordelingsgesprek met de bedrijfsbegeleider. Voor dat gesprek vult de bedrijfsbegeleider een beoordelingsformulier in. Bij het tweede bedrijfsbezoek van de docentbegeleider wordt deze beoordeling doorgenomen. De docentbegeleider geeft zijn eindoordeel weer in een beoordelingsformulier nadat hij contact heeft gehad met de bedrijfsbegeleider over de bedrijfsbeoordeling.

Uit deze uiteenzetting in de Modulewijzer volgt niet dat de student ook bij het contact tussen bedrijfsbegeleider en docentbegeleider aanwezig moet kunnen zijn. De procedure, zoals beschreven in de Modulewijzer, is gevolgd.

Het betoog slaagt niet.

4.       [appellant] betoogt verder dat het CBE ten onrechte heeft aangenomen dat de motivering in het beoordelingsformulier van de examinatoren toereikend is. Hoewel de beoordeling door de bedrijfsbegeleider een advies is, mogen examinatoren niet lichtvaardig van dit advies afwijken.

4.1.    Niet in geschil is dat een beoordeling door een bedrijfsbegeleider een advies is en dat examinatoren daarvan in beginsel mogen afwijken als zij dat deugdelijk motiveren. Het CBE heeft op de zitting te kennen gegeven dat, anders dan in de beslissing van 15 december 2025 is vermeld, de examinatoren van het advies van de bedrijfsbegeleider zijn afgeweken en de bedrijfsbegeleider de beoordeling dus niet heeft aangepast. De examinatoren hebben in het beoordelingsformulier omschreven waarom zij aanleiding hebben gezien om het advies van de bedrijfsbegeleider niet te volgen. Op de zitting heeft het CBE onweersproken gesteld dat de motivering daarvoor is gegeven met de tekst onder "Toelichting leerdoel 1" op pagina 2 van dat formulier. Het betoog geeft geen grond voor het oordeel dat die motivering niet toereikend was.

Het betoog slaagt niet.

5.       Het beroep is ongegrond.

6.       Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hazen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026

452-1175


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon