Uitspraak BRS.26.001660 en BRS.26.001661
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2161
- Datum uitspraak
- 21 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 4 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001660 en BRS.26.001661
ECLI:NL:RVS:2026:2161
Datum uitspraak: 21 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 maart 2026 in zaak nr. NL25.9186 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 6 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D.W.M. van Erp, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Appellant is een staatloze Palestijn. Hij heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. De minister heeft Jordanië als zijn land van gebruikelijke verblijfplaats aangemerkt.
2. In tegenstelling tot wat appellant in zijn derde grief betoogt, heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:724, onder 2.1, terecht geoordeeld dat de vraag of appellant feitelijk toegang heeft tot Jordanië geen deel uitmaakt van de asielprocedure. Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak heeft overwogen, geldt het land waarin een vreemdeling zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft als zijn land van herkomst volgens artikel 2, aanhef en onder n, van de Kwalificatierichtlijn. Het Unierecht stelt daarvoor niet als eis dat de betrokken vreemdeling toegang heeft tot dat land. Het ontbreken van feitelijke toegang tot het land van herkomst brengt immers op zichzelf geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade met zich mee. Dat is in dit geval niet anders. De derde grief slaagt niet.
2.1. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3. Het hoger beroep leidt voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift voor het overige geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
4. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Van Driesten
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026
1048