Verzamelwijziging Kadasterwet.
- Kenmerk
- W04.26.00093/I
- Datum aanhangig
- 13 april 2026
- Datum vastgesteld
- 3 juni 2026
- Datum advies
- 3 juni 2026
- Datum publicatie
- 8 juni 2026
- Vindplaats
- Website Raad van State
- Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Wet
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 13 april 2026, no.2026000779, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Kadasterwet in verband met het verduidelijken van de inschrijvingseisen van registerverklaringen, het regelen van een grondslag voor de geautomatiseerde verwerking van aktes, het regelen van de verplichting voor de bewaarder om voortaan stukken in te schrijven die gesteld zijn in een vreemde of de Friese taal en een aantal andere wijzigingen (Verzamelwijziging Kadasterwet), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel bevat verschillende wijzigingen van de Kadasterwet. Het herstelt omissies en zorgt voor verbeteringen, verduidelijkingen en actualiseringen. Ook bevat het een grondslag voor een ministeriële regeling van voorwaarden die worden gesteld aan de verdere verwerking van persoonsgegevens met het oogmerk deze te verstrekken aan derden.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerking over de keuze deze nadere voorwaarden bij ministeriële regeling te laten bepalen. In verband daarmee is aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk.
De Dienst voor het Kadaster heeft onder meer tot taak het verstrekken van inlichtingen uit de openbare registers en de basisregistratie kadaster. (zie noot 1) Die inlichtingen omvatten persoonsgegevens. Met het oog daarop bevat de Kadasterwet bepalingen in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. (zie noot 2)
Het voorstel voegt aan de Kadasterwet een grondslag toe voor het stellen van voorwaarden aan de verstrekking van inlichtingen aan ondernemingen die deze inlichtingen, waaronder persoonsgegevens, verwerken in producten met het oogmerk ze aan derden te verstrekken. (zie noot 3) De ondernemingen worden ook wel aangeduid als resellers. Met de introductie van een erkenningsregeling voor resellers komt het wetsvoorstel tegemoet aan de kritiek van de Autoriteit Persoonsgegevens op een eerdere versie van het wetsvoorstel. (zie noot 4)
De verstrekking van persoonsgegevens raakt aan de persoonlijke levenssfeer, zoals die wordt beschermd door artikel 10 van de Grondwet. De hoofdlijnen van de met het oog daarop te bepalen waarborgen moeten daarom zijn opgenomen in de wet in formele zin. De uitwerking ervan kan worden gedelegeerd aan de regering. Een ministeriële regeling is geschikt voor het stellen van voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die vaak wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk heel snel moeten worden vastgesteld. (zie noot 5)
Het wetsvoorstel bepaalt over de te stellen voorwaarden niet meer dan dat zij zullen zijn ‘gericht op het waarborgen van een rechtmatige en betrouwbare verwerking van persoonsgegevens’. In de toelichting op het wetsvoorstel kondigt de regering aan welke voorwaarden de ministeriële regeling zal gaan bevatten. Zij noemt voorschriften over de betrouwbaarheid, veiligheid en strafrechtelijke antecedenten van de resellers en over de te hanteren informatiebeveiliging. (zie noot 6) Dat zijn belangrijke waarborgen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Een ministeriële regeling is daarvoor niet de aangewezen vorm. Met de Autoriteit Persoonsgegevens meent de Afdeling advisering dat ten minste de essentie van de nadere voorwaarden in een algemene maatregel van bestuur is vastgelegd.
De Afdeling adviseert het wetsvoorstel in het licht van het voorgaande aan te passen.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een opmerking bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State
Voetnoten
(1) Artikel 3, eerste lid, onder i van de Kadasterwet.
(2) Hoofdstuk 7, titel 1, afdeling 2 van de Kadasterwet.
(3) Artikel I, onderdeel U van het wetsvoorstel.
(4) Advies van de Autoriteit Persoonsgegevens van 8 april 2025, te raadplegen op https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/documenten/toets-wijziging-kadasterwet
(5) Aanwijzing 2.24 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Zie ook de adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State van 12 november 2025 over het voorstel van wet houdende wijziging van de Archiefwet 1995 ter uitvoering van overweging 158 van de Algemene verordening gegevensbescherming (W05.25.00278/I), Kamerstukken II 2025/26, 36886, nr. 4, punt 2b en punt 6; van 13 maart 2024 over de Wet op de Nederlandse identiteitskaart (W04.24.00012/I), Kamerstukken II 2024/25, 36644, nr. 4 en van 19 augustus 2020 over de Tijdelijke wet notificatieapplicatie covid-19 (W13.20.0254/III), Kamerstukken II 2019/20, 35538, nr. 4, punt 4.
(6) Memorie van toelichting, algemeen deel, paragraaf 2.8, Voorwaarden aan verdere verwerking van persoonsgegevens met oogmerk te verstrekken aan derden.