Uitspraak BRS.25.002559
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1611
- Datum uitspraak
- 15 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 11 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.002559
ECLI:NL:RVS:2026:1611
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2025 in zaak nr. NL25.44452 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 11 september 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 12 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S. Sewnath, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat betrokkene zich, onder verwijzing naar objectieve landeninformatie, gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de minister niet of niet zonder meer van het vermoeden kan uitgaan dat Polen aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen. Het is dan vervolgens aan de minister om gemotiveerd aannemelijk te maken dat hij nog altijd van dat vermoeden mag uitgaan. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455, onder 4.3. Anders dan de minister betoogt, gelden er geen eisen met betrekking tot de bewijskracht van de informatie die een vreemdeling in dat kader heeft verstrekt. De minister moet rekening houden met alle informatie die hem door een vreemdeling wordt verstrekt en die relevant is om op correcte wijze de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, met name wat betreft het eventuele bestaan van een risico van een met artikel 4 van het EU Handvest strijdige behandeling in geval van overdracht van deze vreemdeling. Zie het arrest van het Hof van Justitie van 29 februari 2024, X, ECLI:EU:C:2024:195, punten 75-78.
1.2. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.3. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Boom, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
1058