Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.24.000182

Uitspraak BRS.24.000182

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1902
Datum uitspraak
9 april 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 30 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene in bewaring gesteld.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.24.000182
ECLI:NL:RVS:2026:1902
Datum uitspraak: 9 april 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 mei 2024, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 14 mei 2024, in zaak nr. NL24.19061 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 13 mei 2024, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 14 mei 2024, heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 13 mei 2024 bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       De minister klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel hoefde te volstaan. De minister heeft er in zijn besluit namelijk terecht op gewezen dat betrokkene tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Algerije of Libië, meldplichten heeft gemist, illegaal in Nederland heeft verbleven en na het terugkeerbesluit niet zelfstandig is vertrokken. De minister betoogt terecht dat hij hiermee deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel kon volstaan, ondanks de verklaring van betrokkene dat hij bij stichting INLIA verblijft en via die organisatie een traject zou starten waarbij hij zou werken en tegelijkertijd aan de terugkeer naar zijn land van herkomst zou werken. Verder betoogt de minister terecht dat de rechtbank ten onrechte bij haar oordeel heeft betrokken dat betrokkene nog een medische behandeling wil ondergaan in Nederland. Hij betoogt terecht dat betrokkene daar geen verblijfstitel voor heeft en deze ook niet heeft aangevraagd. De doorverwijzing naar een oogarts weegt niet op tegen het risico dat betrokkene zich wederom aan het toezicht onttrekt of de uitzettingsprocedure belemmert, mede gezien de gronden van de bewaring en de uitlatingen van betrokkene.

1.1.    De grief slaagt.

2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten en er geen vragen aan de orde zijn over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31), is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 mei 2024 in zaak nr. NL24.19061;

III.      verklaart het beroep ongegrond;

IV.     wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. De Poorter
voorzitter

w.g. Weber
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026

846-1122


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon