Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202600451/1/R3 en 202600451/2/R3

Uitspraak 202600451/1/R3 en 202600451/2/R3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1652
Datum uitspraak
24 maart 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 21 juni 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht aan Stichting Rhiant (Rhiant) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een gebouw voor zorgappartementen (de zorgappartementen) op de Gerard Alewijnsstraat 19A-1 t/m 19A-11, 19B-1 t/m 19B-12 en 19C-1 t/m 19C-10 in Hendrik-Ido-Ambacht. De omgevingsvergunning maakt de bouw van een gebouw met zorgappartementen mogelijk. Op het terrein waar het gebouw is voorzien stond in het verleden een school. De school is ongeveer 10 jaar geleden gesloopt. Sindsdien is het terrein onbebouwd. Het vergunde gebouw wijkt op een aantal punten af van de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan "Centrum". Er wordt namelijk voor een deel gebouwd buiten het bouwvlak. Met de omgevingsvergunning worden deze afwijkingen van het bestemmingsplan vergund. [verzoeker] woont op de [locatie 1] in Hendrik-Ido-Ambacht. Het perceel van deze woning ligt op minder dan 10 m van het terrein waarop het gebouw mogelijk wordt gemaakt. [verzoeker] is daarnaast eigenaar van de garage op de [locatie 2]. Deze ligt op ongeveer 7 m van de parkeerplaatsen die bij het gebouw voor de zorgappartementen zijn voorzien. Zij kan zich niet vinden in de verleende omgevingsvergunning omdat zij onder meer vreest voor aantasting van haar woon- en leefklimaat. Daarnaast kan zij zich niet vinden in de manier waarop het college is omgegaan met een brief die door een buurtcomité aan het college is verzonden in reactie op de verleende omgevingsvergunning.
  • Voorlopige voorziening
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202600451/1/R3 en 202600451/2/R3.
Datum uitspraak: 24 maart 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend in Hendrik-Ido-Ambacht,
verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 februari 2026 in zaak nrs. 24/6852 en 24/6853 in het geding tussen onder meer:

[verzoeker],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2023 heeft het college aan Stichting Rhiant (Rhiant) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een gebouw voor zorgappartementen (de zorgappartementen) op de Gerard Alewijnsstraat 19A-1 t/m 19A-11, 19B-1 t/m 19B-12 en 19C-1 t/m 19C-10 in Hendrik-Ido-Ambacht.

Bij besluit van 22 januari 2024 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft de omgevingsvergunning van 21 juni 2023 herroepen en opnieuw op de aanvraag beslist. Daarbij heeft het college de omgevingsvergunning opnieuw verleend (de omgevingsvergunning).

Bij uitspraak van 3 februari 2026 heeft de rechtbank het onder meer door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

Ook heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college en Rhiant hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 10 maart 2026. [verzoeker] en het college zijn verschenen. Het college is vertegenwoordigd door O. Baya-Ghardache, N. Schuijt, R.P.H. Kuiten, T. Mazak, P.S. Casmimiri en W. Dubois. Ook is op de zitting Rhiant als partij gehoord. Zij is vertegenwoordigd door [gemachtigden] en is bijgestaan door mr. R.D. van Oevelen, advocaat in Rotterdam.

Overwegingen

Uitspraak in de hoofdzaak

1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

2.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 17 maart 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

3.       De omgevingsvergunning maakt de bouw van een gebouw met zorgappartementen mogelijk. Op het terrein waar het gebouw is voorzien stond in het verleden een school. De school is ongeveer 10 jaar geleden gesloopt. Sindsdien is het terrein onbebouwd.

Het vergunde gebouw wijkt op een aantal punten af van de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan "Centrum" (het bestemmingsplan). Er wordt namelijk voor een deel gebouwd buiten het bouwvlak. Daarnaast wordt er binnen het bouwvlak meer bebouwd dan het maximaal toegestane bebouwingspercentage van 80%. Verder worden de maximaal toegestane bouw- en goothoogtes van 10 m en 5 m op verschillende plaatsen overschreden. Met de omgevingsvergunning worden deze afwijkingen van het bestemmingsplan vergund.

4.       [verzoeker] woont op de [locatie 1] in Hendrik-Ido-Ambacht. Het perceel van deze woning ligt op minder dan 10 m van het terrein waarop het gebouw mogelijk wordt gemaakt. [verzoeker] is daarnaast eigenaar van de garage op de [locatie 2]. Deze ligt op ongeveer 7 m van de parkeerplaatsen die bij het gebouw voor de zorgappartementen zijn voorzien. Zij kan zich niet vinden in de verleende omgevingsvergunning omdat zij onder meer vreest voor aantasting van haar woon- en leefklimaat. Daarnaast kan zij zich niet vinden in de manier waarop het college is omgegaan met een brief die door een buurtcomité aan het college is verzonden in reactie op de verleende omgevingsvergunning.

5.       De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

De uitspraak van de rechtbank

6.       De rechtbank heeft het beroep van [verzoeker] ongegrond verklaard. Zij gaat eerst voorbij aan het betoog van [verzoeker] dat het college het bezwaar van het nabijgelegen ouderenzorgcentrum de Blije Borgh ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Blije Borgh heeft zelf geen rechtsmiddelen aangewend tegen het bestreden besluit waarbij het bezwaar van de Blije Borgh niet-ontvankelijk is verklaard. Niet gebleken is dat [verzoeker] de Blije Borgh in de beroepsprocedure bij de rechtbank mocht vertegenwoordigen. Dat betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van de Blije Borgh onherroepelijk is geworden.

De rechtbank oordeelt vervolgens dat het betoog van [verzoeker] niet slaagt, dat zij door de te realiseren parkeerplaatsen met haar auto niet meer uit haar garagebox aan het garageplein kan draaien. Dat Rhiant heeft toegezegd dat bij het garageplein geen parkeerplaatsen zouden worden gerealiseerd, kan in deze procedure niet aan de orde komen. Niet gebleken is dat het college op enig moment heeft toegezegd dat op deze locatie geen parkeerplaatsen gerealiseerd zouden worden.

De rechtbank oordeelt verder dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zodanige aantasting van haar privacy, dat het bouwplan om die reden in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Hoewel duidelijk is dat het bouwplan tot een ingrijpende aantasting van het uitzicht zal leiden voor diverse omwonenden, heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat deze aantasting zich ook zou voordoen bij een bouwplan dat binnen de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan zou worden gerealiseerd. Ook heeft het college mogen aannemen dat het bouwplan geen onaanvaardbare aantasting van de bezonning voor de woningen met zich meebrengt. De rechtbank ziet ook geen grond voor het oordeel dat de veiligheid tijdens de bouwwerkzaamheden niet afdoende is verzekerd.

De hogerberoepsgronden

Het verkeerd aanmerken van de brief van 7 juli 2023

7.       [verzoeker] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat het college een brief van 7 juli 2023 (de brief) van het buurtcomité GAS, die zij mede heeft ondertekend, ten onrechte heeft aangemerkt als pro forma bezwaarschrift. [verzoeker] voert daarvoor aan dat de tekst van de brief die in het dossier van de rechtbank zit, afwijkt van de tekst zoals deze door het buurtcomité aan het college is verzonden. Daardoor heeft het college valsheid in geschrifte gepleegd, zo betoogt zij. Daarnaast blijkt volgens haar uit de tekst van de brief niet dat een pro forma bezwaarschrift is ingediend. Er is namelijk alleen gevraagd om duidelijkheid te geven over de termijnen vanwege onduidelijkheden in de publicatie over de verleende omgevingsvergunning en rectificaties daarvan. [verzoeker] betoogt dat dit ertoe heeft geleid dat niet alle bezwaargronden zijn meegewogen in de beslissing op bezwaar, omdat het bezwaarschrift van de Blije Borgh ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

7.1.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is de Blije Borgh niet in beroep gegaan tegen het besluit op bezwaar waarin zij niet-ontvankelijk is verklaard. Ook is niet gebleken dat [verzoeker] de Blije Borgh vertegenwoordigde bij de rechtbank. Het besluit op bezwaar over het bezwaar van de Blije Borgh is daarom onherroepelijk geworden. De rechtbank is daarom terecht voorbijgegaan aan het betoog van [verzoeker] dat de bezwaargronden van de Blije Borgh onvoldoende zijn meegewogen in de beslissing op bezwaar. [verzoeker] heeft beroep ingesteld tegen het aan haar gerichte besluit op bezwaar. Dit besluit stond daarom bij de rechtbank centraal. In wat [verzoeker] heeft aangevoerd ziet de Afdeling ook geen grond om te oordelen dat de rechtbank tot het oordeel had moeten komen dat het besluit op bezwaar van [verzoeker] onrechtmatig is door het aanmerken van de brief als pro forma bezwaar. [verzoeker] is ontvankelijk verklaard in haar bezwaar, zij heeft zelf bezwaargronden ingediend en niet gebleken is dat zij onvoldoende in de gelegenheid is geweest om haar bezwaren naar voren te brengen en toe te lichten tijdens de bezwaarprocedure. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om te oordelen of het college de brief van 7 juli 2023 terecht als pro forma bezwaarschrift heeft aangemerkt.

Het betoog slaagt niet.

De verminderde afstand van de parkeerplaatsen tot de garagebox

8.       [verzoeker] betoogt dat de rechtbank had moeten oordelen dat de parkeerplaatsen van de zorgappartementen op een te korte afstand van haar garagebox worden aangelegd. Zij kan hierdoor niet meer goed in en uit haar garagebox rijden. De breedte van de weg grenzend aan de garagebox wordt namelijk 1,2 m kleiner. [verzoeker] voert verder aan dat in de uitspraak van de rechtbank ten onrechte wordt verwezen naar de toelichting van het college dat een breedte van 5,4 m voldoende is om de draaihoek te maken. Zij stelt dat dit te weinig ruimte is gelet op de lengte van haar auto van 4,7 m. Ook andere eigenaren van de garageboxen vinden dat de ruimte te krap is, zo stelt [verzoeker].

8.1.    De Afdeling ziet in wat [verzoeker] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college tot de conclusie had moeten komen dat er te weinig ruimte overblijft voor [verzoeker] om haar garagebox te gebruiken. De rechtbank is dan ook terecht niet tot dit oordeel gekomen. Dat de wegbreedte met 1,2 m verkleind wordt betekent nog niet dat de ruimte die overblijft onvoldoende is. Uit een tekening die als bijlage bij de omgevingsvergunning is opgenomen blijkt dat de wegbreedte bij de garageboxen minimaal 7 m is. Op de zitting bij de Afdeling heeft het college toegelicht dat een erftoegangsweg met tweerichtingsverkeer waar haaks parkeren mogelijk is, een minimale breedte van 4,8 m moet hebben. De ideale breedte is 5,8 m. Het college heeft daarvoor verwezen naar paragraaf 11.2 van de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom 2021 (ASVV 2021) van het CROW. De wegbreedte van 7 m is 1,2 m breder dan de minimale, en 2,2 m breder dan de ideale, wegbreedte. De Afdeling ziet in de lengte van het voertuig van [verzoeker] geen reden om te oordelen dat het college hiermee van een te smalle wegbreedte is uitgegaan.

Het betoog slaagt niet.

Toezeggingen over de situatie bij de garageboxen

9.       [verzoeker] betoogt dat de rechtbank had moeten oordelen dat zij een gerechtvaardigde verwachting heeft dat de situatie bij de garageboxen niet gewijzigd zou worden, omdat dit in het participatietraject is toegezegd. [verzoeker] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat Rhiant in het participatietraject het college vertegenwoordigde en dat de uitlatingen van Rhiant daarom aan het college zijn toe te rekenen.

9.1.    Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. Vereist is dat de toezegging, andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend. Van toerekening van een onbevoegde uitlating is sprake als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.

9.2.    Niet ter discussie staat dat de uitlatingen waarmee volgens [verzoeker] toezeggingen zijn gedaan, afkomstig zijn van Rhiant. Naar het oordeel van de Afdeling is niet gebleken dat Rhiant in het participatietraject voorafgaand aan de vergunningverlening het college vertegenwoordigde. De enkele stelling van [verzoeker] is daarvoor onvoldoende. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd daarom geen reden om aan te nemen dat [verzoeker] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat de uitlatingen van Rhiant de opvatting van het college vertolkte. De rechtbank heeft daarom terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het vertrouwensbeginsel is geschonden.

Het betoog slaagt niet.

De aantasting van het woon- en leefklimaat

10.     [verzoeker] betoogt dat de rechtbank tot het oordeel had moeten komen dat het gebouw met de zorgappartementen zal zorgen voor een onevenredige aantasting van haar woon- en leefklimaat. Zij voert daarvoor eerst aan dat de hoeveelheid zonlicht in haar woning en tuin aanzienlijk af zal nemen. Zij wijst er daarbij op dat de hoeveelheid zonlicht op haar perceel al beperkt is vanwege de aanwezigheid van het complex van de Blije Borgh, ten oosten van haar perceel. Zij betoogt verder dat het uitgangspunt van twee uur bezonning te weinig is. De rechtbank is er volgens [verzoeker] verder ten onrechte vanuit gegaan dat het haar enkel te doen was om het zonlicht in haar tuin, omdat het haar ook gaat om het zonlicht in haar woning.

[verzoeker] voert verder aan dat haar uitzicht en privacy aanzienlijk af zal nemen. Zij begrijpt dat de situatie niet vergeleken wordt met de situatie van het onbebouwde terrein. Maar de situatie verslechtert aanzienlijk ten opzichte van de situatie dat er nog een school op het terrein van de voorziene zorgappartementen stond.

10.1.  De Afdeling overweegt dat het college voor de beoordeling van de gevolgen op het gebied van bezonning de lichte TNO-norm toepast. Deze houdt in twee bezonningsuren per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Uit het door het college ten behoeve van het bouwplan uitgevoerde bezonningsonderzoek blijkt dat het bouwplan voldoet aan de lichte TNO-norm omdat op de woning van [verzoeker] dagelijks sprake is van 3 tot 3,5 uur bezonning. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is de toepassing van de lichte TNO-norm in een stedelijke omgeving niet ongebruikelijk. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:209, onder 6.2. De Afdeling ziet in wat [verzoeker] heeft aangevoerd daarom geen grond voor het oordeel dat het college de lichte TNO-norm niet toe mocht passen. Deze norm ziet bovendien op de hoeveelheid bezonningsuren in de binnenkant van de vensterbank. De rechtbank heeft daarom ook geen grond hoeven zien voor het oordeel dat er te weinig zonlicht overblijft in de woning van [verzoeker].

De gronden die [verzoeker] op dit punt in hoger beroep verder heeft aangevoerd, komen in de kern neer op een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling ziet in wat door [verzoeker] in hoger beroep is aangevoerd, geen aanleiding om anders te oordelen dan wat de rechtbank heeft gedaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 19.1 tot en met 19.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling benadrukt daarbij dat het college bij de afweging van de bij de besluitvorming betrokken belangen mee mag wegen dat negatieve gevolgen van een bouwplan ook kunnen worden veroorzaakt door de fictieve realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:486, onder 15.3.

Het betoog slaagt niet.

De schade en overlast tijdens de bouw

11.     [verzoeker] betoogt dat de rechtbank tot het oordeel had moeten komen dat de (verkeers)veiligheid tijdens de bouwwerkzaamheden onvoldoende is verzekerd. Daarnaast is onvoldoende verzekerd dat de bouwwerkzaamheden niet voor overlast zorgen. [verzoeker] heeft daarbij gewezen op scheuren in haar woning en garage. Zij stelt dat deze zijn ontstaan door de inmiddels uitgevoerde heiwerkzaamheden. Ook ondervindt zij met name overlast omdat zij haar garagebox niet kan bereiken door de aanwezigheid van kranen en andere voertuigen.

11.1.  In artikelen 8.1 en 8.2 van het Bouwbesluit 2012 zijn bepalingen opgenomen die erop zijn gericht om te voorkomen dat de uitvoering van een bouwplan schade veroorzaakt aan naastgelegen panden en dat wegen worden belemmerd. Uit de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit (Stb. 2011, 416) volgt dat schade in de uitvoeringsfase niet altijd kan worden voorkomen, maar dat wel maatregelen moeten worden getroffen om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Het college moet bij de toets aan het Bouwbesluit 2012 dus uitsluitend beoordelen of het aannemelijk is dat tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden voldoende maatregelen zullen worden getroffen om schade door de bouwwerkzaamheden aan de omliggende panden te voorkomen. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3598, onder 9.2.

De op grond van artikel 8.2 van het Bouwbesluit 2012 te treffen maatregelen moeten op grond van artikel 8.7 van het Bouwbesluit 2012 op aanwijzing van het bevoegd gezag worden vastgelegd in een veiligheidsplan. Het college heeft in de omgevingsvergunning een voorschrift opgenomen dat pas met de bouw mag worden begonnen nadat het college schriftelijk akkoord heeft gegeven op een bouwveiligheidsplan. In wat [verzoeker] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college bij de beoordeling van de aanvraag niet aannemelijk heeft mogen achten dat aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 zou worden voldaan. Dat er tijdens de werkzaamheden schade zou zijn opgetreden is daarvoor onvoldoende. Schade in de uitvoeringsfase kan namelijk niet altijd worden voorkomen. Ook uit de gestelde belemmeringen van de weg blijkt niet dat het college aanleiding had moeten zien om aannemelijk te achten dat niet aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 zou worden voldaan.

Het betoog slaagt niet.

Niet beoordeelde aspecten in beroep

12.     [verzoeker] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet in is gegaan op verschillende aspecten die zij in beroep naar voren heeft gebracht. De Afdeling ziet in wat [verzoeker] heeft aangevoerd echter onvoldoende grond voor het oordeel dat de rechtbank onvoldoende is ingegaan op de beroepsgronden van [verzoeker]. [verzoeker] verwijst hierbij naar veel aspecten dit betrekking hebben op de brief van 7 juli 2023. Gelet op wat de Afdeling onder 7.1 heeft overwogen heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om daar inhoudelijk op in te gaan. In de overige door [verzoeker] aangedragen aspecten ziet de Afdeling geen grond voor een ander oordeel.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

13.     Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

14.     Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

15.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag met kenmerk 24/6852 en 24/6853, voor zover aangevallen;

II.       wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Brouwers, griffier.

w.g. Van den Biggelaar
voorzieningenrechter

w.g. Brouwers
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026

1080

Bijlage 1: regelgeving

Bouwbesluit 2012

Artikel 8.1. Aansturingsartikel

1. De uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden is zodanig dat voor de omgeving een onveilige situatie of voor de gezondheid of bruikbaarheid nadelige hinder zoveel mogelijk wordt voorkomen.

2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de voorschriften in deze afdeling.

Artikel 8.2. Veiligheid in de omgeving

1. Bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van:

a)       letsel van personen op een aangrenzend perceel of een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen;

b)       letsel van personen die het bouw- of sloopterrein onbevoegd betreden, en

c)       beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen.

Artikel 8.7. Veiligheidsplan

De op grond van de artikelen 8.2 tot en met 8.6 te treffen maatregelen worden op aanwijzing van het bevoegd gezag vastgelegd in een veiligheidsplan. (…)


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon