Uitspraak BRS.26.000154
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1310
- Datum uitspraak
- 13 maart 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 22 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, en om afgifte van een document als bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.000154
ECLI:NL:RVS:2026:1310
Datum uitspraak: 13 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 december 2025 in zaken nrs. 25/11629 en 25/11631 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 22 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, en om afgifte van een document als bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluiten van 23 mei 2025 heeft de minister de daartegen door appellant gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 december 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellant ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N.B. Swart, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld.
Appellant is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.
Overwegingen
1. De griffier heeft appellant er bij brief op gewezen dat hij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Hem is daarbij verzocht om het griffierecht uiterlijk op 28 januari 2026 te voldoen. Omdat appellant dit niet heeft gedaan, heeft de griffier hem bij brief van 30 januari 2026 laten weten dat het griffierecht uiterlijk op 13 februari 2026 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Appellant heeft, nadat de griffier hem daartoe bij brief van 17 februari 2026 in de gelegenheid heeft gesteld, geen redenen aangevoerd waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026
977