Uitspraak 200303297/1


Volledige tekst

200303297/1.
Datum uitspraak: 14 januari 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats] en te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 april 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij brieven van respectievelijk 28 maart en 8, 16 en 17 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) aan een zestigtal bewoners (hierna: appellanten) medegedeeld dat de permanente bewoning van de volkstuinhuisjes op de volkstuincomplexen “De Groene Liede”, “De Zonnehoek” en “Klein België” onder voorwaarden zal worden gedoogd.

Bij besluit van 11 oktober 2002 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2003, verzonden op 8 mei 2003, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 21 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.J. Meijer, advocaat te Haarlem, en [voorzitter] van de bewonerscommissie “De Groene Liede”, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M.E. Bakkum, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de verstrekte gedoogverklaring te beperkt is. Door aan de gedoogverklaring de voorwaarde te verbinden dat deze uitsluitend geldt voor de duur van het gebruik van het volkstuinhuisje door de huidige eigenaars/gebruikers, is volgens hen ten onrechte geen rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen in een gezinssituatie.

2.2. De Afdeling overweegt ambtshalve dat de weigering om te gedogen behoudens onder bijzondere omstandigheden, die zich in dit geval niet voordoen, niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt. Dat is niet anders wanneer het gaat om de weigering om in ruimere mate of voor een langere periode te gedogen dan in de gedoogverklaring is toegezegd, en die weigering is vervat in hetzelfde stuk als een – met het oog op de rechtsbescherming van derden – als een besluit aan te merken gedoogverklaring. Met deze weigering staat niet zonder meer vast dat en hoe, na het eindigen van de situatie waarvoor het college blijkens de gedoogverklaring heeft toegezegd te zullen gedogen, wel handhavend zal worden opgetreden. Tegen een eventueel handhavingsbesluit staan voor belanghebbenden in dat geval rechtsmiddelen open.

Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank heeft miskend dat het college appellanten ten onrechte in hun bezwaren betreffende de reikwijdte van de gedoogverklaring heeft ontvangen.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling kan zelf in de zaak voorzien.

2.4. Het college dient in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 april 2003, Awb 02-1741;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 11 oktober 2002, 02.0182108\bo, voor zover daarbij de weigering om meer personen en voor een langere periode te gedogen dan in de gedoogverklaring is toegezegd, is gehandhaafd;

V. verklaart het bezwaar van appellanten in zoverre niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 1553,94, waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Haarlemmermeer te worden betaald aan appellanten;

VIII. gelast dat de gemeente Haarlemmermeer aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 109 en € 175,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Roelfsema
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2004

53-406.