Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202501769/1/R1

Uitspraak 202501769/1/R1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1519
Datum uitspraak
18 maart 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 februari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam onder meer de locatie ter hoogte van [locatie] aangewezen voor het plaatsen van één ondergrondse afvalcontainer voor restafval, één voor papier en één voor glas. In het besluit heeft het college de locatie ter hoogte van [locatie] aangewezen voor de plaatsing van de verzamelcontainers. De beoogde locatie ligt schuin voor het appartementsgebouw van de woning van [appellant]. [appellant] betoogt dat hij hinder zal ondervinden door de glascontainer bij de inrit van de in het appartementsgebouw gelegen parkeergarage. Hij vreest voor lekke banden van zijn auto door glasscherven rondom de glascontainer. Ook vreest [appellant] voor verwondingen voor zijn spelende kleinzoon op het nabijgelegen speelveldje door glasscherven.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202501769/1/R1.
Datum uitspraak: 18 maart 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2025 heeft het college onder meer de locatie ter hoogte van [locatie] aangewezen voor het plaatsen van één ondergrondse afvalcontainer voor restafval, één voor papier en één voor glas (hierna: de verzamelcontainers).

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 februari 2026, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door  mr. C.W. De Jong en T.I.J. Hoogenboom, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       In het besluit heeft het college de locatie ter hoogte van [locatie] aangewezen voor de plaatsing van de verzamelcontainers. De beoogde locatie ligt schuin voor het appartementsgebouw van de woning van [appellant] (locatie 23.406A).

[appellant] is het om verschillende redenen niet eens met de plaatsing van de glascontainer.

Toetsingskader

2.       Bij de keuze van een locatie voor een verzamelcontainer moet het bestuursorgaan een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het bestuursorgaan de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de verzamelcontainers.

Verkeerd adres in het besluit

3.       [appellant] voert aan dat het adres zoals genoemd in het besluit niet bestaat. Volgens het college is sprake van een kennelijke verschrijving.

3.1.    De Afdeling overweegt dat van een schrijffout waaraan kan worden voorbijgegaan slechts sprake is bij een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. Van belang is dat bij het bestuursorgaan en derden direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is. Weliswaar staat in het besluit "Mullerpier" als straat vernoemd, maar de straatnaam "Mullerpier" bestaat niet. Bovendien is op de ter inzage gelegde situatiekaart te zien dat de locatie ter hoogte van de [locatie] is. Ook staat het juiste adres in het ongewijzigde ontwerpbesluit. Gelet op het voorgaande is duidelijk dat het om een kennelijke verschrijving gaat.

Het betoog slaagt niet.

Procedure

4.       [appellant] voert aan dat het college niet zorgvuldig heeft gehandeld bij het nemen van het besluit. De indieners van de zienswijzen, waaronder hij zelf, hebben daarvan namelijk geen ontvangstbevestiging gekregen.

4.1.    Het besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In overeenstemming met deze procedure is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de kennisgeving van de terinzagelegging. Deze procedure kent niet de verplichting om degenen die een zienswijze tegen het ontwerpbesluit hebben ingebracht, daarvan een aparte ontvangstbevestiging te sturen. De ingediende zienswijzen worden in het definitieve besluit genoemd. Ook zit de Nota van beantwoording van de zienswijzen, waarin een reactie is gegeven op de ingediende zienswijzen, bij het besluit als bijlage. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid.

Het betoog slaagt niet.

Vertrouwensbeginsel

5.       [appellant] voert aan dat op de inloopavonden is toegezegd dat er geen glascontainer zou komen omdat er al voldoende in de buurt zijn.

5.1.    De Afdeling vat het betoog van [appellant] over de toezegging aldus op dat volgens hem het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door in het besluit de locatie ook aan te wijzen voor een glascontainer. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens het college is toegezegd geen glascontainer op de locatie te plaatsen. Hij heeft namelijk geen stukken overlegd waaruit blijkt dat de door hem gestelde toezegging is gedaan. Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld.

Het betoog slaagt niet.

Hinder door glas?

6.       [appellant] betoogt dat hij hinder zal ondervinden door de glascontainer bij de inrit van de in het appartementsgebouw gelegen parkeergarage. Hij vreest voor lekke banden van zijn auto door glasscherven rondom de glascontainer. Ook vreest [appellant] voor verwondingen voor zijn spelende kleinzoon op het nabijgelegen speelveldje door glasscherven.

6.1.    De Afdeling overweegt dat bewoners bij normaal gebruik van de glascontainer het glas in de container plaatsen en niet ernaast. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is het onjuist aanbieden van afval een kwestie van handhaving. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 15 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2724, onder 6.1). In het licht daarvan heeft het college in de vrees voor hinder vanwege zwerfglas geen reden hoeven vinden om af te zien van aanwijzing van de locatie. In dat verband heeft de Afdeling ook kennis genomen van de door het college op de zitting toegelichte afbeelding van de locatie, waaruit blijkt dat er voldoende afstand tussen de inrit en de containerlocatie zit. Daardoor is het niet aannemelijk dat eventuele glasscherven in autobanden terechtkomen. Hierbij is van belang dat de glascontainer in de groenstrook geplaatst wordt en er tussen de inrit en de containerlocatie nog een trottoir ligt. Voor zover [appellant] vreest voor verwondingen voor zijn spelende kleinzoon, overweegt de Afdeling dat er tussen de groenstrook waarin de glascontainer wordt geplaatst en het speelveld een voetpad loopt. Gelet op het voorgaande is het niet aannemelijk dat er glasscherven op het speelveld terechtkomen. Het college gaat er daarom terecht van uit dat eventuele hinder als gevolg van zwerfglas bij de verzamelcontainers binnen aanvaardbare grenzen zal blijven en niet zal leiden tot de gevolgen die [appellant] vreest.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie geschiktheid

7.       De conclusie is dat het college de aangewezen locatie geschikt heeft mogen achten voor plaatsing van de verzamelcontainers.

Conclusie

8.       Het beroep is ongegrond.

9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Driel Kluit
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026

703-1168


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon