Uitspraak BRS.26.000719 en BRS.26.000720
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1164
- Datum uitspraak
- 5 maart 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 augustus 2023, vervangen door het besluit van 31 juli 2025, heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.000719 en BRS.26.000720
ECLI:NL:RVS:2026:1164
Datum uitspraak: 5 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 januari 2026 in zaken nrs. NL23.28710 en NL24.8275 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2023, vervangen door het besluit van 31 juli 2025, heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
Bij uitspraak van 15 januari 2026 heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 16 augustus 2023 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, en het door appellant tegen het besluit van 31 juli 2025 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant is het niet eens met de uitspraak, maar legt niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Dat is wel vereist. Daarom kan de voorzieningenrechter van de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter van Afdeling wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026
1017