Uitspraak BRS.25.001852
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:696
- Datum uitspraak
- 10 februari 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 11 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.001852
ECLI:NL:RVS:2026:696
10 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant 1] en [appellant 2],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 10 oktober 2025 in zaak nr. NL24.30674 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 11 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 5 juli 2024 heeft de minister het daartegen door appellant
gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Kilic-Arslan, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Appellant is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.
Overwegingen
1. De griffier heeft appellant er bij brief van 7 november 2025 op gewezen dat zij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Haar is daarbij verzocht om het griffierecht uiterlijk op 21 november 2025 te voldoen. Omdat appellant dit niet heeft gedaan, heeft de griffier haar bij brief van 24 november 2025 laten weten dat het griffierecht op uiterlijk 8 december 2025 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat, als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Appellant is vervolgens in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te laten weten waarom de termijn is overschreden. In de door appellant aangevoerde redenen ziet de Afdeling geen aanleiding om het hoger beroep toch in behandeling te nemen.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026
941-1118