Uitspraak BRS.25.001608 en BRS.25.001609
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:5828
- Datum uitspraak
- 2 december 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 14 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene bevolen onmiddellijk naar het grondgebied van Portugal terug te keren.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Bewaring
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.001608 en BRS.25.001609
ECLI:NL:RVS:2025:5828
Datum uitspraak: 2 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 september 2025 in zaak nr. 24/6905 in het geding tussen:
betrokkene
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene bevolen onmiddellijk naar het grondgebied van Portugal terug te keren.
Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen tien weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M. Dorgelo, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister komt in haar enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 tot en met 5.2, is het uitgangspunt dat de minister een vreemdeling hoort in bezwaar en moet zij terughoudend omgaan met uitzonderingen op haar hoorplicht. De minister mag alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit.
2. De minister betoogt terecht dat zij de beslissing om van horen af te zien moet nemen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd. Gelet op de motivering van het besluit van 14 december 2023 en wat betrokkene daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, kon de minister in dit geval redelijkerwijs het bezwaar kennelijk ongegrond verklaren zonder betrokkene in de gelegenheid te stellen om gehoord te worden. De minister heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene bij binnenkomst niet heeft voldaan aan de verplichtingen waaraan een persoon bij grensoverschrijding is onderworpen en dat hij in bezwaar geen beroep heeft gedaan op artikel 8 van het EVRM.
2.1. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 september 2025 in zaak nr. 24/6905;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025
918-1161