Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202105275/1/R2

Uitspraak 202105275/1/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:5863
Datum uitspraak
3 december 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 21 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray het wijzigingsplan "[locatie]" vastgesteld. Op het perceel aan de [locatie] in Wanssum wordt een dagactiviteitencentrum geëxploiteerd en zijn een woning en twee logiesappartementen aanwezig. Het perceel had in het bestemmingsplan "Wanssum" de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "maatschappelijk" en "bed & breakfast". Het college heeft op verzoek van de exploitant gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan en het wijzigingsplan vastgesteld. Met het wijzigingsplan ontstaat de mogelijkheid om, naast de bestaande woning en het dagactiviteitencentrum, twee reguliere wooneenheden te realiseren voor al dan niet zorgbehoevenden in de twee bestaande appartementen, die eerst een logiesfunctie hadden. Met het wijzigingsplan wordt het aantal woningen binnen de woonbestemming uitgebreid van 1 naar 3 en vervalt de aanduiding "bed & breakfast". [appellanten] woont op het naastgelegen perceel aan de [woonlocatie] en houdt paarden. Hij is het niet eens met het plan, omdat hij vreest door de toename van het aantal woningen te worden belemmerd in de bereikbaarheid van zijn perceel en omdat volgens hem niet is voldaan aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 19.7 van het bestemmingsplan.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Limburg

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202105275/1/R2.
Datum uitspraak: 3 december 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellanten]), wonend in Wanssum, gemeente Venray,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Venray,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2021 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie]" (hierna: het wijzigingsplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellanten] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant B] en het college hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 23 september 2025, waar [appellant B], vertegenwoordigd door mr. E.H.E.J. Wijnen, advocaat in Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door ing. H.C.A. Willems, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

  1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerp van het wijzigingsplan is op 30 oktober 2020 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

  1. Op het perceel aan de [locatie] in Wanssum wordt een dagactiviteitencentrum geëxploiteerd en zijn een woning en twee logiesappartementen aanwezig. Het perceel had in het bestemmingsplan "Wanssum" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "maatschappelijk" en "bed & breakfast". Het college heeft op verzoek van de exploitant gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan en het wijzigingsplan vastgesteld. Met het wijzigingsplan ontstaat de mogelijkheid om, naast de bestaande woning en het dagactiviteitencentrum, twee reguliere wooneenheden te realiseren voor al dan niet zorgbehoevenden in de twee bestaande appartementen, die eerst een logiesfunctie hadden. Met het wijzigingsplan wordt het aantal woningen binnen de woonbestemming uitgebreid van 1 naar 3 en vervalt de aanduiding "bed & breakfast".

[appellant B] woont op het naastgelegen perceel aan de [woonlocatie] en houdt paarden. Op het voormalige gezamenlijke erf van beide woningen heeft hij een erfdienstbaarheid in de vorm van een recht van overpad. Hij is het niet eens met het plan, omdat hij vreest door de toename van het aantal woningen te worden belemmerd in de bereikbaarheid van zijn perceel en omdat volgens hem niet is voldaan aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 19.7 van het bestemmingsplan.

Toetsingskader

  1. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarover de wijzigingsbevoegdheid gaat in beginsel als een gegeven worden beschouwd als is voldaan aan de in het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden die in een bestemmingsplan zijn opgenomen, doet niets af aan de plicht van het college van burgemeester en wethouders om in de besluitvorming over de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming gerechtvaardigd is.

Ingetrokken beroepsgrond

  1. Ter zitting heeft [appellanten] zijn beroepsgrond, dat artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit milieubeheer in de weg staat aan woningen nabij zijn paardenhouderij, ingetrokken.

De voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid

  1. [appellanten] betoogt dat het college geen gebruik heeft kunnen maken van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan, omdat niet aan alle voorwaarden in artikel 19.7 van de planregels voor het gebruik van deze bevoegdheid is voldaan.
  1. Artikel 19.7 van de planregels van het bestemmingsplan luidt:

"Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied' kan het bevoegd gezag toestaan dat het aantal woningen wordt uitgebreid naar maximaal 3 woningen onder de voorwaarden dat:

  1. de ontwikkeling vanuit planologisch/stedenbouwkundig oogmerk passend is in de omgeving;
  1. de belangen van de eigenaren en / of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  1. er sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  1. de parkeerbalans niet onevenredig nadelig wordt beïnvloed;
  1. de wijziging past binnen de geldende volkshuisvestelijke uitgangspunten/visie of het volkshuisvestelijk kader;
  1. voldaan wordt aan de bouw- en gebruiksregels van de bestemming 'Wonen'."

Is de ontwikkeling vanuit planologisch/stedenbouwkundig oogmerk passend in de omgeving? (voorwaarde a)

  1. [appellanten] voert aan dat de ontwikkeling vanuit planologisch en stedenbouwkundig oogmerk niet passend is in de omgeving en daarom in strijd is met artikel 19.7, aanhef en onder a, van de planregels. De bestaande bebouwing en gronden aan de [locatie] zijn niet ingericht voor drie volwaardige woningen, omdat die van oudsher samen met de gronden aan de [woonlocatie] fungeerde als één boerenerf met binnenplaats. Hierdoor is de ruimte op de binnenplaats beperkt.

Daarnaast voert [appellanten] aan dat de bebouwing naast de al bestaande woning en dagopvang eerst werd gebruikt voor logies met een tijdelijk karakter. Door de komst van twee nieuwe woningen met een intensiever gebruik dan logies wordt het feitelijk te druk om alle toegestane functies in te passen.

7.1.    Het college heeft er in de plantoelichting op gewezen dat de nieuwe woningen in de bestaande bebouwing komen in plaats van de twee logiesappartementen, zodat er in fysiek opzicht niets verandert. Volgens het college is de bestaande bebouwing in het bestemmingsplan al stedenbouwkundig ingepast in de woonomgeving. Weliswaar wordt het gebruik van de twee woningen anders dan het gebruik van de twee bestaande appartementen voor logies, maar die bewoning is volgens het college passend in de woonomgeving. Het perceel had al de bestemming "Wonen" en wordt omgeven door percelen met een woonbestemming. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de ontwikkeling vanuit planologisch en stedenbouwkundig oogmerk passend is in de omgeving en dat daarmee het wijzigingsplan niet in strijd is met artikel 19.7, aanhef en onder a, van de planregels.

Het betoog slaagt niet.

Worden de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van nabijgelegen gronden niet onevenredig geschaad en wordt de parkeerbalans niet onevenredig nadelig beïnvloed? (voorwaarden b en d)

  1. Ook betoogt [appellanten] dat zijn belangen als eigenaar van de naastgelegen percelen onevenredig worden geschaad en de parkeerbalans onevenredig wordt beïnvloed. Hierdoor is er strijd is met artikel 19.7, aanhef, onder b en d, van de planregels.

[appellanten] voert aan dat het wijzigingsplan een beperking oplevert voor zijn recht van overpad, omdat een gedeelte van het voormalige gezamenlijke erf waarop deze erfdienstbaarheid rust zal worden gebruikt als parkeerplaats voor de woningen. Hierdoor kan hij zijn achtergelegen perceel, waar zijn paarden worden gehouden, moeilijker bereiken met een voertuig met trailer. [appellant B] voert daartoe met een tekening aan dat de schets van het overpad in de notariële akte niet beperkt moet worden uitgelegd, maar ook een draaicirkel over de binnenplaats voor het voertuig veronderstelt. De schets uit de akte is volgens [appellant B] ook onjuist ingetekend in de plantoelichting waardoor er minder ruimte overblijft. Daarnaast vreest hij voor overlast van meer bezoekers en meer verkeersbewegingen.

Verder voert [appellanten] aan dat het college bij de vaststelling van het wijzigingsplan de parkeervraag heeft onderschat, waardoor de parkeerbalans onevenredig nadelig wordt beïnvloed. Door de functiewijziging zijn drie extra parkeerplaatsen nodig. Ook moet volgens hem rekening worden gehouden met de bestaande parkeerplaatsen die nodig zijn voor het dagactiviteitencentrum. Door de toegenomen parkeerdruk en het vrijhouden van ruimte op het gezamenlijke erf vanwege de erfdienstbaarheid blijft er onvoldoende ruimte over om te parkeren.

8.1.    De Afdeling stelt vast dat het wijzigingsplan geen beperking oplevert voor het gebruik van de strook grond waarop het recht van overpad rust, zoals ingetekend op de schets bij de notariële akte. De door [appellanten] ingetekende draaicirkel maakt geen deel uit van het in de notariële akte ingetekende recht van overpad. Ter zitting is gebleken dat de strook grond niet helemaal correct is overgenomen in de tekening van de plantoelichting, maar ook met een juiste intekening blijft circa 160 m2 van het resterende erf over en is er voldoende ruimte om te parkeren en om van het recht van overpad gebruik te blijven maken.

Verder heeft het college in de plantoelichting toegelicht onder verwijzing naar de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ dat de nieuwe functie weliswaar zorgt voor een toename van verkeersbewegingen, maar dat deze relatief beperkte toename goed is op te vangen en geen probleem vormt voor de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Ook heeft het college toegelicht dat de toename van verkeersbewegingen niet zorgt voor onaanvaardbare hinder voor [appellanten], omdat het slechts gaat om een functiewijziging van bestaande bebouwing van logies naar "Wonen". Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de belangen van [appellanten] als eigenaar van de naastgelegen percelen niet onevenredig worden geschaad en dat daarmee het wijzigingsplan niet in strijd is met artikel 19.7, aanhef en onder b, van de planregels.

Het betoog slaagt niet.

8.2.    Het college heeft in de plantoelichting uiteengezet dat voor de berekening van de parkeerbehoefte gebruik is gemaakt van de parkeernormen uit de Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Venray, waarin is aangesloten bij de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Hierbij heeft het college aangesloten bij de norm van 1,3 parkeerplaatsen per woning waardoor voor de nieuwe woonfunctie afgerond drie parkeerplaatsen nodig zijn.

Op zitting heeft het college toegelicht dat is uitgegaan van 185 m2 op het perceel om invulling te geven aan de parkeerbehoefte, maar dat na correctie een kleinere oppervlakte van ongeveer 160 m2 ook voldoende is om te voorzien in drie parkeerplaatsen, zonder dat dit een beperking oplevert voor het recht van overpad, waarvoor in de notariële akte alleen een strook van ongeveer vier meter breed is ingetekend. Bij deze oppervlakte heeft het college ook rekening gehouden met de reeds bestaande parkeerbehoefte voor het dagactiviteitencentrum onder de aanduiding ‘maatschappelijk’. Deze aanduiding wordt met het wijzigingsplan niet veranderd en leidt dus niet tot meer benodigde parkeerplaatsen op het perceel. Het college heeft daarmee onderbouwd dat een oppervlakte van ongeveer 160 m2 en de carport voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de functies wonen en maatschappelijk. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de parkeerbalans niet onevenredig wordt beïnvloed en dat daarmee het wijzigingsplan niet in strijd is met artikel 19.7, aanhef en onder d, van de planregels.

Het betoog slaagt niet.

Is er sprake van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid? (voorwaarde c)

  1. Verder betoogt [appellanten] dat geen sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid, omdat het college geen rekening heeft gehouden met de geurbelasting van zijn paardenhouderij. Hierbij verwijst hij naar artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) en artikel 3, eerste lid, van de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray 2011 (hierna: de verordening). [appellanten] voert aan dat de woningen op korte afstand van zijn paardenhouderij komen en dat hierdoor geen goed woonmilieu kan worden gegarandeerd. Hij voert aan dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de milieuhygiënische kwaliteit ter plaatse van de woningen en volgens hem is het wijzigingsplan in strijd met artikel 19.7, aanhef en onder c, van de planregels.

9.1.    Het college heeft onweersproken toegelicht dat het houden van de paarden op het achtergelegen perceel ondergeschikt moet blijven aan de woonfunctie op het perceel van [appellanten] en dat een bedrijfsmatige paardenhouderij onder de bestemming "Wonen" niet mogelijk is. Weliswaar houdt [appellanten] enkele paarden, maar het aantal wisselt en niet alle paarden staan op dit perceel. De Afdeling is met het college van oordeel dat het houden van paarden, gelet op het geringe en wisselende aantal dat op het perceel zelf gehouden wordt, niet bedrijfsmatig is of een omvang heeft alsof zij bedrijfsmatig is. De paardenhouderij is dan ook geen inrichting in de zin van de Wgv en hierdoor zijn de afstanden en geurnormen in artikel 6 van de Wgv en artikel 3, eerste lid, van de verordening niet van toepassing en kan de verwijzing naar deze bepalingen [appellanten] niet baten. Vergelijk (onder 21.1 van) de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:354.

Het college heeft, anders dan door [appellanten] is gesteld, de geurbelasting van de paardenhouderij wel afgewogen in het kader van de goede ruimtelijke ordening. Daarbij is het college tot de conclusie gekomen dat de woningen ruimtelijk aanvaardbaar zijn, omdat met de reeds aanwezige woning en logiesappartementen in de bestaande bebouwing al sprake was van gevoelige functies nabij de paardenhouderij van [appellant B] die niet wezenlijk veranderen en per definitie ondergeschikt moet blijven aan de woonbestemming. Verder wijzigt de afstand tussen de bestaande bebouwing waar de woningen in komen en de paardenhouderij niet. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid en dat het wijzigingsplan niet in strijd is met artikel 19.7, aanhef en onder c, van de planregels.

Het betoog slaagt niet.

Overschrijding redelijke termijn

  1. [appellant B] heeft ter zitting een verzoek gedaan om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

10.1.  De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.

10.2.  De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellanten] ontvangen op 11 augustus 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 27 maanden overschreden.

10.3.  De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Dat betekent dat [appellant A] en [appellant B] in beginsel ieder recht hebben op een schadevergoeding van € 2.500,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant A] en [appellant B] gezamenlijk procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen, in die zin dat zij ieder de helft van dat bedrag krijgen toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van gezamenlijk beroep in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die [appellant A] en [appellant B] hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. Door gezamenlijk beroep in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:245).

Conclusie

  1. Het beroep is ongegrond.
  1. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
  1. De Staat der Nederlanden moet [appellant B] een schadevergoeding betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
  1. De Staat der Nederlanden moet de proceskosten van [appellant B] wegens de behandeling van het verzoek om schadevergoeding vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

  1. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] ongegrond;
  1. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

III.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant A] en [appellant B] een schadevergoeding van € 2.500,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;

  1. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Boermans
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025

429-1135


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon