Uitspraak 202502047/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:5293
- Datum uitspraak
- 31 oktober 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 november 2023 heeft hhet Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen [appellant] een onderzoek naar zijn alcoholgebruik opgelegd en zijn rijbewijs geschorst. Het CBR heeft [appellant] een onderzoek naar zijn alcoholgebruik opgelegd, omdat hij volgens de politie op 12 november 2023 onder invloed van teveel alcohol een auto heeft bestuurd en een aanrijding heeft veroorzaakt. [appellant] is na het ongeval door de politie op de bestuurdersstoel aangetroffen. Na een positieve alcoholtest is hij meegenomen naar het bureau, waar hij een uur later heeft verklaard dat hij de auto niet heeft bestuurd.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Wegenverkeerswet
Toon inhoud
202502047/1/A2.
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 februari 2025 in zaak nr. 24/5391 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR).
Openbare zitting gehouden op 31 oktober 2025 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. A.J.Q. Oskam
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. A. Ester, advocaat in Zwijndrecht;
het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant.
Bij besluit van 24 november 2023 heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar zijn alcoholgebruik opgelegd en zijn rijbewijs geschorst.
Bij besluit van 25 april 2024 heeft het CBR het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 28 februari 2025 van de rechtbank Rotterdam, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 25 april 2024 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Motivering
1. Het CBR heeft [appellant] een onderzoek naar zijn alcoholgebruik opgelegd, omdat hij volgens de politie op 12 november 2023 onder invloed van teveel alcohol een auto heeft bestuurd en een aanrijding heeft veroorzaakt. [appellant] is na het ongeval door de politie op de bestuurdersstoel aangetroffen. Na een positieve alcoholtest is hij meegenomen naar het bureau, waar hij een uur later heeft verklaard dat hij de auto niet heeft bestuurd.
2. In geschil is of [appellant] de bestuurder van de auto was.
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2023 mocht uitgaan en dus met voldoende mate van zekerheid heeft kunnen vaststellen dat [appellant] de auto heeft bestuurd. Daarom heeft het CBR aan [appellant] terecht een onderzoek opgelegd naar zijn alcoholgebruik. Er zijn geen aanwijzingen die de stelling van [appellant] dat iemand anders de auto bestuurde ondersteunen.
4. De Afdeling volgt, anders dan [appellant] heeft betoogd, de rechtbank in het oordeel dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de bevindingen in het proces-verbaal. Uit de ter zake van toepassingen zijnde wettelijke voorschriften vloeit niet voort dat het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 moet zijn geconstateerd tijdens het besturen van een motorrijtuig. De bevoegdheid tot het vorderen van een onderzoek naar de geschiktheid komt het CBR al toe als aannemelijk is dat iemand in strijd met de wettelijke voorschriften onder invloed van drogerende stoffen een motorrijtuig heeft bestuurd (uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2238). Het betoog slaagt niet.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oskam
griffier
1067