Uitspraak 202402507/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:5048
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 2 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202402507/1/V3.
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 25 maart 2024 in zaak nr. NL23.34273 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij uitspraak van 25 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, en voor zover gericht tegen de leeftijdsbepaling, ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. van Dijk, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Guineese nationaliteit. Zij heeft bij haar asielaanvraag verklaard dat zij op [geboortedatum] 2006 is geboren. De minister heeft de asielaanvraag ingewilligd, maar heeft de gestelde geboortedatum, en dus de minderjarigheid van appellant ten tijde van de aanvraag, niet geloofwaardig geacht. De Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: de AVIM) en de IND hebben afzonderlijk van elkaar een leeftijdsschouw uitgevoerd. De AVIM heeft geconcludeerd dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd en de IND heeft geconcludeerd dat appellant evident minderjarig is. Omdat de uitkomsten van die schouwen van elkaar verschilden, heeft de minister navraag gedaan bij de Spaanse autoriteiten. Appellant is namelijk eerder in Spanje geregistreerd. Uit de navraag bleek dat appellant in Spanje geregistreerd staat met geboortedatum [geboortedatum] 2002. De minister is van die datum uitgegaan.
1.1. Deze uitspraak gaat over de leeftijdsschouw die door de AVIM is verricht en de vraag of de minister terecht is uitgegaan van de in Spanje geregistreerde geboortedatum en daarmee van de meerderjarigheid van appellant.
Leeftijdsschouw
2. Voor zover appellant in haar enige grief betoogt dat de leeftijdsschouw in het algemeen niet gebruikt kan worden als methode om de leeftijd van een vreemdeling vast te stellen, wijst de Afdeling op haar uitspraak van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801, onder 7 tot en met 13. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat in het algemeen de leeftijdsschouw zorgvuldig is en het beleid zoals de minister dat in paragraaf C1/2.1 van de Vc 2000 en in de Werkinstructie 2025/1 heeft uitgewerkt, op een zorgvuldige wijze is vormgegeven en redelijk is. De leeftijdsschouw is in het algemeen een bruikbaar middel voor de vaststelling of er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van een vreemdeling.
2.1. Het betoog van appellant dat de in deze zaak uitgevoerde leeftijdsschouw onzorgvuldig is, slaagt echter wel. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de leeftijdsschouw die is verricht door de AVIM voldoende inzichtelijk en concludent is. Appellant is door twee medewerkers van de AVIM geschouwd tijdens het gehoor van 6 september 2022. In het proces-verbaal van dat gehoor hebben de schouwers de lichamelijke kenmerken van appellant opgesomd en het gedrag van appellant weergegeven. Vervolgens hebben de schouwers op basis van de verklaringen en signalen van appellant geconcludeerd dat er twijfel bestaat over de door appellant opgegeven leeftijd. In de conclusie leggen de schouwers echter niet uit welke signalen hebben geleid tot de conclusie dat er twijfel bestaat over de leeftijd van appellant en waarom deze signalen daartoe hebben geleid. Er ontbreekt een verbinding tussen de observaties en de conclusie. De schouwers leggen in het proces-verbaal ook niet uit waarom de lichamelijke kenmerken en het gedrag van appellant typerend zijn voor een minderjarige en waarom juist niet voor een meerderjarige. Ook relateren de schouwers hun observaties niet aan hun tijdens de schouwopleiding opgedane kennis en inzichten over minder- en meerderjarigheid. De Afdeling kan uit het verslag van de schouw in het proces-verbaal niet opmaken hoe de gedragingen en verklaringen van appellant hebben bijgedragen aan de conclusie dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd.
Nader onderzoek
2.2. Anders dan de rechtbank, komt de Afdeling tot de conclusie dat de schouw verricht door de AVIM niet inzichtelijk en concludent is. Zoals de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak van 20 augustus 2025, onder 12.2, heeft overwogen, is een leeftijdsschouw geen bruikbaar middel voor de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling, wanneer een van de leeftijdsschouwen niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is. De minister mocht de leeftijdsschouwen dus niet betrekken bij haar standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die appellant heeft opgegeven. Dat neemt echter niet weg dat de minister met het oog op zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van appellant. Uit de uitspraken van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 6.9 tot en met 7.3, en 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3991, onder 3.3, volgt dat de minister daarbij moet uitgaan van de minderjarigheid van appellant en dat het aan haar is om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen. Naar het oordeel van de Afdeling is de minister daar in dit geval niet in geslaagd.
2.3. Appellant betoogt in deze zaak terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister mocht uitgaan van de juistheid van de leeftijdsregistratie in Spanje. De minister heeft nader onderzoek verricht door navraag te doen bij de Spaanse autoriteiten. De minister is naar aanleiding van dat onderzoek uitgegaan van [geboortedatum] 2002 als geboortedatum van appellant, omdat zij met die geboortedatum in Spanje staat geregistreerd. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt welk gewicht zij aan de leeftijdsregistratie in Spanje heeft toegekend en waarom zij daar gewicht aan heeft toegekend. Appellant heeft verklaard dat er geen identificerende documenten ten grondslag liggen aan de registratie in Spanje en dat de toenmalige begeleider van appellant het woord heeft gevoerd en niet de juiste leeftijd heeft opgegeven. De minister heeft in beroep aangevoerd dat zij er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat de registratie in Spanje zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat de verklaringen van appellant onvoldoende zijn om niet van die registratie uit te gaan. Die handelwijze is niet in lijn met het kader dat de Afdeling heeft uiteengezet in de eerdergenoemde uitspraken van 9 oktober 2024 en 20 augustus 2025. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 9 oktober 2024, onder 6.9, heeft overwogen, kan de minister zich niet beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel als zij bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling een leeftijdsregistratie in een andere EU-lidstaat betrekt. De minister heeft in de gegeven omstandigheden met de verwijzing naar de leeftijdsregistratie niet deugdelijk gemotiveerd waarom appellant haar opgegeven leeftijd niet aannemelijk heeft gemaakt.
2.4. Uit wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de leeftijdsschouw van de AVIM voldoende inzichtelijk en concludent is en dat de minister terecht is uitgegaan van de in Spanje geregistreerde geboortedatum.
2.5. De grief slaagt.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank het beroep gericht tegen de leeftijdsbepaling ongegrond heeft verklaard. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 2 oktober 2023, voor zover de minister de geboortedatum van appellant heeft vastgesteld op [geboortedatum] 2002. De minister moet in zoverre een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent dat de minister de leeftijd van appellant nader moet beoordelen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 25 maart 2024 in zaak nr. NL23.34273, voor zover zij het beroep gericht tegen de leeftijdsbepaling ongegrond heeft verklaard;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 2 oktober 2023, V-[...], voor zover de minister van Asiel en Migratie de leeftijd van appellant heeft vastgesteld op 5 maart 2002;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2025
918-1102