Uitspraak 200303314/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:21
- Datum uitspraak
- 17 december 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 4 september 2000 heeft appellant sub 1 aan appellant sub 2 bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats].
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
200303314/1.
Datum uitspraak: 17 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen,
2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente De Ronde Venen,
tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 10 april 2003 in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats], gemeente De Ronde Venen
en
appellant sub 1.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2000 heeft appellant sub 1 aan appellant sub 2 bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 14 februari 2001 heeft appellant sub 1 het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 april 2003, verzonden op 11 april 2003, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellant sub 1 bij brief van 20 mei 2003, verzonden 22 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2003, en appellant sub 2 bij brief van 22 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 18 juni 2003, verzonden 19 juni 2003. Appellant sub 2 heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 18 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 15 augustus 2003 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2003, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door N.J.A. Röling, ambtenaar van de gemeente, appellant sub 2, vertegenwoordigd door mr. C. Piket, advocaat te Amsterdam, [gemachtigden], en [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. I.J. Verbaan, gemachtigde zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Baambrugse Zuwe, eerste herziening” bestemd tot “Bebouwing met landhuizen en bijbehorende terreinen.
2.2. In geschil is slechts de vraag of de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat het bouwplan in strijd is met artikel 17, eerste lid van de planvoorschriften.
Ingevolge deze bepaling is zijdelings van een woonhuis een aanbouw (erker) op een onbebouwd te laten strook grond toegelaten, mits de afstand van deze aanbouw tot de zijgrens van het bouwperceel niet kleiner wordt dan 2 m. De aanbouw mag niet hoger zijn dan de bovenkant van de verdiepingvloer, niet breder dan 1/3 van de huisdiepte (achteruitbouwen niet meegerekend) en niet dieper dan 1/4 van de geëiste minimumafstand tot de zijgrens van het bouwperceel. De breedte en diepte worden gemeten respectievelijk evenwijdig aan en loodrecht op de zijgevel.
2.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit deze bepaling volgt dat de diepte van de erker van de woning het bebouwingsvak met maximaal 0,5 m mag overschrijden. In zoverre faalt het betoog van appellant sub 1.
2.4. Appellanten betogen echter terecht dat de rechtbank de breedte van de woning, de erker niet meegerekend, onjuist heeft vastgesteld op 28,65 m, nu uit de bij de bouwaanvraag behorende bouwtekening blijkt dat deze breedte 28,25 m bedraagt. Nu het oordeel van de rechtbank dat de oostgevel van de woning is gebouwd op de oostelijke grens van het bebouwingsvak in hoger beroep niet is betwist, moet worden vastgesteld dat de diepte van de erker het bebouwingsvak met slechts 0,25 m overschrijdt.
2.5. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.
2.6. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart de hoger beroepen gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 10 april 2003, SBR 01/541;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003
17.