Uitspraak BRS.25.001108 en BRS.25.001109
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:4351
- Datum uitspraak
- 12 september 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001108 en BRS.25.001109
ECLI:NL:RVS:2025:4351
Datum uitspraak: 12 september 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 augustus 2025 in zaak nr. NL25.15002 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 12 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Wat appellant in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, voldoet niet aan de wet (artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt, uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Dat heeft appellant niet gedaan. De rechtbank heeft in de uitspraak uitgelegd dat de minister de gestelde problemen vanwege zijn atheïsme ongeloofwaardig mocht vinden, omdat appellant hier onsamenhangend en onaannemelijk over heeft verklaard. Ook heeft de rechtbank uitgelegd waarom de minister zich op het standpunt mocht stellen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging. Uit openbare informatie volgt namelijk niet dat atheïsten in Turkije in het algemeen te vrezen hebben voor vervolging. In hoger beroep voert appellant alleen aan dat zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen en dat er nieuw bewijsmateriaal vanuit Turkije onderweg is waaruit blijkt dat hij bij terugkeer ernstig gevaar loopt. Daarmee legt appellant niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Omdat het hogerberoepschrift dus niet aan de eisen van de wet voldoet, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep. Het staat appellant vrij om eventueel een nieuwe aanvraag in te dienen als hij nieuw bewijsmateriaal heeft waaruit ernstig gevaar bij terugkeer blijkt.
2. De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2025
936-1088