Uitspraak 202303321/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:3611
- Datum uitspraak
- 24 juli 2025
- Inhoudsindicatie
- de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (nu: de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp). Openbare zitting gehouden op 24 juli 2025 om 10:30 uur.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Geld
Toon inhoud
202303321/1/A2.
Datum uitspraak: 24 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Ébène, Mauritius,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 april 2023 in zaak nr. 22/1659 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
(nu: de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp).
Openbare zitting gehouden op 24 juli 2025 om 10:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. W. den Ouden, voorzitter
Staatsraad mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid
Staatsraad mr. M.C Stoové, lid
Griffier: mr. O. van Loon
Jurist: mr. A.J.Q. Oskam
Verschenen:
De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, vertegenwoordigd door mr. drs. P.J. Kooiman;
====================================
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 5 april 2023 van de rechtbank Den Haag.
Beslissing
De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Motivering
Bij besluit van 10 februari 2014 heeft de minister aan [appellante] een subsidie verleend binnen het subsidieprogramma Private Sector Investeringsprogramma, deelprogramma PSI Plus (Stcrt. 2014, nr. 136) voor het project Kinshaha Improved Cookstoves factory in de Democratische Republiek Congo.
Bij besluit van 19 december 2018 heeft de minister de subsidie vastgesteld en de teveel betaalde voorschotten teruggevorderd. [appellante] is het niet eens met dat besluit. Bij brief van 15 mei 2025 heeft [appellante] de Afdeling in afwachting van de zitting geïnformeerd dat zij overeenstemming heeft bereikt met de minister en een betalingsregeling heeft afgesproken.
Bij besluit van 21 december 2023 heeft de minister de betalingsregeling bevestigd en de hoogte van het terug te vorderen bedrag gewijzigd. Dit besluit is kennelijk het gevolg van een voorstel van [appellante], dat door de minister is aanvaard.
Tegen het besluit van 21 december 2023 is [appellante] niet opgekomen. Over de inhoud van het besluit is daarom geen geschil. Met de getroffen schikking is het procesbelang bij het hoger beroep komen te vervallen. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
284-1067