Uitspraak 202407100/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:3288
- Datum uitspraak
- 17 juli 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 7 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van appellant om herziening van de intrekking van haar verblijfsvergunning afgewezen. In datzelfde besluit heeft de staatssecretaris de aanvraag voor de verlenging van die vergunning, althans de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
202407100/1/V3.
Datum uitspraak: 17 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant]
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 29 oktober 2024 in zaak nr. NL24.16433 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van appellant om herziening van de intrekking van haar verblijfsvergunning afgewezen. In datzelfde besluit heeft de staatssecretaris de aanvraag voor de verlenging van die vergunning, althans de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, afgewezen.
Bij besluit van 27 maart 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, aan appellant een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, het tegen haar uitgevaardigde inreisverbod opgeheven, en het verzoek om herziening afgewezen.
Bij uitspraak van 29 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover het gaat over de afwijzing van het verzoek om herziening, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.T.P. Scheers, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 6, 7, 9 en 10 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2025
846