Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W05.25.00145/I

Wet strategisch personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen.

Kenmerk
W05.25.00145/I
Datum aanhangig
18 juni 2025
Datum vastgesteld
17 december 2025
Datum advies
17 december 2025
Datum publicatie
22 december 2025
Vindplaats
Website Raad van State
  • Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
  • Wet

Toon inhoud

  • Samenvatting
  • Volledige tekst
Samenvatting

Advies over wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 17 december 2025 het advies vastgesteld over het wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen. Het advies is op 22 december 2025 gepubliceerd op de website van de Raad van State.

Inhoud van het wetsvoorstel

Met het wetsvoorstel wil de regering de continuïteit en kwaliteit van het funderend onderwijs waarborgen, goed werkgeverschap stimuleren en het lerarentekort aanpakken. Hiervoor bevat het wetsvoorstel twee onderdelen. Allereerst worden schoolbesturen verplicht om strategisch personeelsbeleid te voeren, dat is gericht op bevordering van vakbekwaamheid, duurzame inzetbaarheid en het behoud van onderwijspersoneel. Daarnaast wil de regering met arbeidsmarktmaatregelen duurzame arbeidsrelaties van leraren stimuleren om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken en de continuïteit van het onderwijs te waarborgen.

Probleemanalyse en probleemaanpak

De Afdeling advisering onderkent dat het lerarentekort schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs voor grote uitdagingen stelt. Het is begrijpelijk dat de regering behulpzaam wil zijn om dit tekort te verminderen, maar dan moet wel duidelijk zijn dat de gekozen aanpak noodzakelijk, geschikt en effectief is.

Strategisch personeelsbeleid is een waardevol instrument voor schoolbesturen om de continuïteit en kwaliteit van het onderwijs te waarborgen. Maar het invoeren van een verplichting voor strategisch personeelsbeleid moet wel worden afgewogen tegen de vrijheid en verantwoordelijkheid van schoolbesturen om dit zelf te kunnen inrichten. Het wetsvoorstel neemt de deels praktische belemmeringen die schoolbesturen daarbij tegenkomen, niet weg. Ook vergroot de verplichting de administratieve last op schoolbesturen en is onvoldoende aandacht besteed aan andere manieren waarop de regering schoolbesturen kan ondersteunen om van strategisch personeelsbeleid werk te maken. Daarom is het advies aan de regering om de wettelijke verplichting voor strategisch personeelsbeleid te heroverwegen.

Ook bij de arbeidsmarktmaatregelen ontbreekt een dragende motivering voor de noodzaak, geschiktheid en effectiviteit. Schoolbesturen worden met deze maatregelen beperkt in hun mogelijkheden om in de huidige arbeidsmarkt flexibel in te spelen op ontwikkelingen en om gaten in het personeelsbestand zo goed mogelijk te dichten. Tijdelijke financiering en incidentele behoefte aan expertise zorgen ervoor dat schoolbesturen sterker leunen op tijdelijke arbeidsovereenkomsten en externe inhuur. De Afdeling adviseert daarom de noodzaak, geschiktheid en effectiviteit van de arbeidsmarktmaatregelen dragend te motiveren en anders het wetsvoorstel te heroverwegen.

Daarnaast is het advies aan de regering om nader toe te lichten hoe de arbeidsmarktmaatregelen zich verhouden tot de bestaande cao-afspraken en het recht op collectief onderhandelen.

Conclusie

De Afdeling adviseert de regering daarom het wetsvoorstel niet bij de Tweede Kamer in te dienen, tenzij het voorstel is aangepast.

Volledige tekst

Bij Kabinetsmissive van 18 juni 2025, no.2025001346, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met een plan voor strategisch personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs (Wet strategisch personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen), met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel beoogt de continuïteit en kwaliteit van het funderend onderwijs te waarborgen, goed werkgeverschap te stimuleren en het lerarentekort aan te pakken. Hiertoe bevat het wetsvoorstel twee onderdelen. Allereerst worden schoolbesturen verplicht om strategisch personeelsbeleid te voeren, gericht op bevordering van vakbekwaamheid, duurzame inzetbaarheid en het behoud van onderwijspersoneel. Daarnaast wil de regering met enkele arbeidsmarktmaatregelen duurzame arbeidsrelaties van leraren stimuleren om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken en de continuïteit van het onderwijs te waarborgen.

De Afdeling advisering van de Raad van State onderkent dat het lerarentekort schoolbesturen in het funderend onderwijs voor grote uitdagingen stelt. Het is begrijpelijk dat de regering behulpzaam wil zijn om deze tekorten te verminderen, maar daarbij moet wel duidelijk zijn dat de gekozen aanpak noodzakelijk, geschikt en effectief is om de beoogde doelen te bereiken.

Hoewel strategisch personeelsbeleid een waardevol instrument is voor schoolbesturen om de continuïteit en kwaliteit van het onderwijs te waarborgen, moet de invoering van een verplichting om strategisch personeelsbeleid te voeren worden afgewogen tegen de vrijheid en verantwoordelijkheid die schoolbesturen hebben om in hun eigen inrichting te voorzien. De deels praktische belemmeringen die schoolbesturen daarbij tegenkomen, worden door het wetsvoorstel niet weggenomen. Ook vergroot de verplichting de administratieve last op schoolbesturen en is onvoldoende aandacht besteed aan andere manieren waarop de regering schoolbesturen kan ondersteunen om van strategisch personeelsbeleid werk te maken. De Afdeling adviseert daarom de wettelijke verplichting voor strategisch personeelsbeleid te heroverwegen.

Ook de voorgestelde arbeidsmarktmaatregelen beogen op zichzelf reële problemen op dit gebied op te lossen. Volgens de regering kunnen de maatregelen bijdragen aan duurzame arbeidsrelaties van leraren en de aantrekkelijkheid van het beroep. Het ontbreekt echter aan een dragende motivering voor de noodzaak, geschiktheid en effectiviteit van deze maatregelen. Schoolbesturen worden met de maatregelen beperkt in hun mogelijkheden om in de huidige arbeidsmarkt flexibel in te spelen op ontwikkelingen en om gaten in het personeelsbestand zo goed mogelijk te dichten. Tijdelijke financiering en incidentele behoefte aan expertise nopen schoolbesturen om sterker te leunen op tijdelijke arbeidsovereenkomsten en externe inhuur. De Afdeling adviseert daarom de noodzaak, geschiktheid en effectiviteit van de arbeidsmarktmaatregelen dragend te motiveren en anders te heroverwegen.

Daarnaast adviseert de Afdeling nader toe te lichten hoe de arbeidsmarktmaatregelen zich verhouden tot de bestaande cao-afspraken en het recht op collectief onderhandelen.

In verband daarmee dient het wetsvoorstel nader te worden overwogen.

1. Achtergrond en inhoud van het wetsvoorstel

Bij hun maatschappelijke opdracht om goed onderwijs aan te bieden, staan schoolbesturen in het funderend onderwijs voor grote uitdagingen vanwege het lerarentekort. Als onderdeel van de bredere ‘Lerarenstrategie’ wil de regering maatregelen treffen om het beroep van leraar zo aantrekkelijk mogelijk te maken om zo het personeelstekort aan te pakken. (zie noot 1) De regering wil met dit wetsvoorstel de continuïteit en kwaliteit van het onderwijs waarborgen, goed werkgeverschap stimuleren en het lerarentekort aanpakken. (zie noot 2) Hiertoe bevat het wetsvoorstel twee onderdelen.

Het eerste onderdeel gaat over het strategisch personeelsbeleid. De regering wil dat het bevoegd gezag (hierna: het schoolbestuur) in het primair, voorgezet en speciaal onderwijs verplicht wordt om een plan voor strategisch personeelsbeleid vast te stellen. Dat plan moet zich richten op bevordering van vakbekwaamheid, duurzame inzetbaarheid en het behoud van schoolpersoneel. Volgens de regering kan het vastleggen van een verplichting zo’n plan te hebben, helpen om de personeelstekorten in de sector te verminderen en de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. (zie noot 3)

Ten tweede wil de regering duurzame arbeidsrelaties van leraren stimuleren met een drietal arbeidsmarktmaatregelen: (zie noot 4)

1.De arbeidsomvang van leraren benoemd door het schoolbestuur moet per kalenderjaar voor ten minste 80% zijn vastgelegd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
2. De gemiddelde betrekkingsomvang in schriftelijk opengestelde vacatures voor de functie van leraar is per kalenderjaar ten minste 80% van een voltijdsbetrekking, tenzij het schoolbestuur schriftelijk met redenen omkleed vastlegt waarom het hieraan niet voldoet (comply or explain).
3. Het schoolbestuur mag per kalenderjaar niet meer dan 2% van de lumpsum besteden aan externe inhuur (personeel tewerkgesteld dat niet in dienst is van de school).

De arbeidsmarktmaatregelen maken het beroep van leraar volgens de regering aantrekkelijker en dat kan bijdragen aan het terugdringen van de lerarentekorten en het beperken van uitval van leraren. Het stimuleren van duurzame arbeidsrelaties kan volgens de regering op die manier de continuïteit en kwaliteit van het funderend onderwijs verbeteren. Bovendien worden met het maximeren van externe inhuur de oplopende uitgaven daarvoor beperkt. Schoolbesturen kunnen deze middelen dan inzetten om leraren een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden. (zie noot 5)

2. Probleemanalyse en gekozen aanpak

Schoolbesturen hebben de vrijheid om de organisatie en het beleid van de school zelf te bepalen. (zie noot 6) Dit geeft schoolbesturen de ruimte om het beleid toe te spitsen op de specifieke situatie van de school. (zie noot 7) Hieronder valt ook de inrichting van het strategisch personeelsbeleid van scholen. Deze vrijheid gaat gepaard met de grote verantwoordelijkheid van scholen om (onder meer) te voorzien in voldoende leraren en goed onderwijs.

Schoolbesturen staan voor een grote uitdaging door de tekorten op de arbeidsmarkt. Zo was eind 2024 het lerarentekort in het primair onderwijs 8,1% en in het voortgezet onderwijs 5,1%. Het lerarentekort verschilt sterk per regio: in de oostelijke regio’s is het tekort 4-8% en in enkele westelijke regio’s 24%. (zie noot 8) Die tekorten zullen naar verwachting alleen al vanwege de demografische ontwikkelingen van ontgroening en vergrijzing aanhouden of mogelijk zelfs verder toenemen. (zie noot 9) Tegelijkertijd hebben schoolbesturen en leraren te maken met een toenemend aantal taken, verwachtingen, werkdruk en administratieve lasten. (zie noot 10)

Hoewel schoolbesturen hun best doen personeelstekorten te verminderen, hebben de inspanningen er tot op heden niet toe geleid om de trend te keren en te komen tot een volwaardig lerarenbestand. In het wetsvoorstel kiest de regering ervoor de problemen aan te pakken door het verplichten van strategisch personeelsbeleid en het treffen van arbeidsmarktmaatregelen om het gebruik van tijdelijk personeel, het aanbieden van vacatures uitsluitend in deeltijd en het inhuren van personeel terug te dringen.

De Afdeling begrijpt dat de regering behulpzaam wil zijn om de problemen in het funderend onderwijs aan te pakken, maar daarbij moet wel duidelijk zijn dat een wettelijke regeling noodzakelijk, geschikt en effectief is om de beoogde doelen te bereiken. Gelet op de vrijheid en verantwoordelijkheid van schoolbesturen voor de inrichting van het onderwijs, is het te meer van belang dat de voorgestelde maatregelen die op die vrijheid en verantwoordelijkheid ingrijpen, daadwerkelijk noodzakelijk en effectief zijn om het lerarentekort aan te pakken. Bovendien is inzicht nodig in de mogelijke nadelige gevolgen van de maatregelen en in eventueel minder ingrijpende manieren waarop de regering behulpzaam kan zijn. De Afdeling maakt daarom de volgende opmerkingen.

a. Strategisch personeelsbeleid
Strategisch personeelsbeleid richt zich op de bevordering van vakbekwaamheid, duurzame inzetbaarheid en het behoud van personeel. Het wetsvoorstel verplicht schoolbesturen hier ten minste elke vier jaar een plan voor op te stellen. In dat plan moeten zij rekening houden met de relevante ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, de demografie, lokaal en nationaal beleid, de onderwijskundige visie, doelen en ambities van de organisatie. (zie noot 11) Het voeren van strategisch personeelsbeleid kan zorgen voor lager verzuim en meer gemotiveerd, tevreden en kundiger personeel. (zie noot 12) Daarmee kan het voeren van dit beleid door schoolbesturen bijdragen aan de continuïteit en kwaliteit van het onderwijs. (zie noot 13)

De Afdeling merkt op dat het nut van dit instrument voldoende is aangetoond, maar dat daarmee nog niet toereikend is gemotiveerd dat een wettelijke verplichting ervan noodzakelijk, geschikt en effectief is.

Momenteel wordt het voeren van strategisch personeelsbeleid binnen het funderend onderwijs gestimuleerd met financiële ondersteuning, bestuurlijke afspraken en monitoringsonderzoeken. In het primair onderwijs ontvangen schoolbesturen op basis van het aantal leerlingen aanvullende bekostiging om hun personeel te professionaliseren en te begeleiden. (zie noot 14) Voor het voortgezet onderwijs bestaat een specifieke bekostigingsregeling voor het verbeteren van het strategisch personeelsbeleid. (zie noot 15)

Een deel van de schoolbesturen maakt werk van strategisch personeelsbeleid. De toelichting beschrijft dat uit monitoringsonderzoek echter blijkt dat de kwaliteit van het gevoerde strategisch personeelsbeleid in het funderend onderwijs vooralsnog tekortschiet. (zie noot 16) Zo wordt in het primair onderwijs de onderwijsvisie maar beperkt vertaald naar professionele normen en blijft in het voortgezet onderwijs de doorwerking van het personeelsbeleid op schoolniveau achter. Dit wordt onder meer toegeschreven aan respectievelijk een gebrek aan "tijd en middelen" om van professionalisering werk te maken en "een gebrek aan professionele ruimte en autonomie". (zie noot 17)

Uit de toelichting blijkt niet hoe een wettelijke verplichting om een strategisch personeelsplan op te stellen, deze deels praktische belemmeringen wegneemt. Zonder voldoende tijd en ruimte voor schoolbesturen om van strategisch personeelsbeleid werk te maken, helpt een wettelijke verplichting hen niet verder.

Evenmin blijkt uit de toelichting wat oorzaken zijn waarom sommige schoolbesturen nog geen werk maken van strategisch personeelsbeleid. Zonder nader inzicht in de achterliggende problemen van schoolbesturen bij het voeren van strategisch personeelsbeleid, is het de vraag of het wettelijke verankeren van deze verplichting deze achterliggende problemen zal wegnemen. De aangevoerde omstandigheid dat een wettelijke verankering de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) in staat zou stellen om op de uitvoering hiervan toe te zien, (zie noot 18) is op zichzelf onvoldoende om de noodzaak voor die verankering te kunnen motiveren. Toezicht door de inspectie neemt immers de achterliggende problemen van schoolbesturen niet weg.

Daarnaast besteedt de toelichting niet voldoende aandacht aan de mogelijke nadelige gevolgen van de voorgestelde wettelijke verplichting. Zo legt het verplicht opstellen van een plan voor strategisch personeelsbeleid een extra administratieve last op schoolbesturen, waar geen financiële ondersteuning tegenover staat. (zie noot 19)

Naast de inhoudelijke eisen, verbindt het wetsvoorstel ook procedurele eisen aan de opstelling van het plan, zoals een vierjarige herzieningscyclus en een overlegplicht met rectoren, directeuren of centrale directies. Deze eisen, hoe zinvol ook, verhogen ook de administratieve lasten en beperken de autonomie van schoolbesturen om de beperkte tijd en middelen zo doelmatig mogelijk in te zetten voor de kwaliteit van het onderwijs.

De inspectie krijgt de nieuwe verplichting om erop toe te zien dat het vastgestelde plan de voorgeschreven elementen bevat en de administratieve verplichtingen worden nageleefd. Dat levert naast extra werk voor de inspectie ook extra toezichtslasten op voor schoolbesturen. De inspectie heeft bovendien twijfels of zij over voldoende capaciteit en expertise kan beschikken voor toezicht en handhaving om daadwerkelijk een effectieve bijdrage te kunnen leveren. (zie noot 20) Uit de toelichting blijkt niet of de toegezegde structurele bijdrage van € 1,3 miljoen per jaar voor extra toezicht- en handhavingscapaciteit de twijfels van de inspectie wegneemt.

Daarnaast blijkt uit de toelichting onvoldoende dat er andere manieren zijn onderzocht en overwogen waarop de regering schoolbesturen kan ondersteunen om van strategisch personeelsbeleid werk te maken. In de toelichting wordt het invoeren van een formele wettelijke verplichting als startpunt genomen. (zie noot 21) Gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de schoolbesturen en de genoemde nadelen van een wettelijke verplichting, ligt het in de rede om te overwegen of er manieren zijn die minder in die verantwoordelijkheid ingrijpen en toch stimuleren om werk te maken van strategisch personeelsbeleid.

De Afdeling adviseert het voorstel voor een wettelijke verplichting tot het vaststellen van een strategisch personeelsplan op deze gronden te heroverwegen.

b. Arbeidsmarktmaatregelen
De voorgestelde arbeidsmarktmaatregelen beogen duurzame arbeidsrelaties te stimuleren. Leraren voeren structureel werk uit en moeten een band kunnen opbouwen met de school en de leerlingen. Volgens de toelichting vergroot de werkzekerheid daarnaast de aantrekkelijkheid van het beroep van leraar in het funderend onderwijs. (zie noot 22)

De Afdeling merkt op dat het bevorderen van dienstverbanden voor onbepaalde tijd en het tegengaan van te veel kleine dienstverbanden kan bijdragen aan deze doelstellingen. Daarnaast kan het terugdringen van externe inhuur bijdragen aan een doelmatiger inzet van middelen en past dit in het algemene arbeidsmarktbeleid om schijnzelfstandigheid tegen te gaan.

De toelichting gaat echter onvoldoende in op de vraag hoe de voorstellen op dit gebied zich verhouden tot het bestaande lerarentekort. Het generieke karakter van deze maatregelen kan een belemmering vormen voor schoolbesturen om flexibel in te kunnen spelen op specifieke omstandigheden van een school en de lokale uitdagingen in de arbeidsmarkt. Dat heeft als gevolg dat schoolbesturen worden beperkt in hun mogelijkheden om in de huidige arbeidsmarkt flexibel te reageren op ontwikkelingen en om gaten in het personeelsbestand zo goed mogelijk te dichten. Er bestaan immers ook regionale verschillen ten aanzien van het lerarentekort.

Ook besteedt de toelichting onvoldoende aandacht aan de redenen die schoolbesturen hebben om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan, deeltijdwerk aan te bieden en externe krachten in te huren.

Schoolbesturen hebben een grote autonomie om keuzes te maken over het naar eigen inzicht regelen van het onderwijs, de organisatie en het beleid van de school en de besteding van financiële middelen. (zie noot 23) Daartoe ontvangen zij een vrij te besteden lumpsumbekostiging. De wetgever heeft hiermee (onder meer) willen bereiken dat schoolbesturen vrijheid hebben over het eigen personeelsbeleid, waardoor zij zelf kunnen bepalen hoe wordt geïnvesteerd in onderwijskundige vernieuwingen en welke competenties daarvoor binnen de organisatie moeten worden ontwikkeld. (zie noot 24) De voorgestelde arbeidsmarktmaatregelen beperken deze professionele ruimte van schoolbesturen. Dat geldt in het bijzonder voor het maximeren van de externe inhuur, omdat daarmee het vrij besteedbare karakter van de lumpsumbekostiging wordt beperkt. (zie noot 25)

Naast de lumpsumbekostiging ontvangen schoolbesturen een deel van de financiering via subsidieregelingen om (onder meer) extra leraren aan te nemen. (zie noot 26) Uit de internetconsultatie volgt dat de tijdelijkheid van deze subsidieregelingen schoolbesturen noopt om sterker te leunen op tijdelijke arbeidsovereenkomsten en externe inhuur. (zie noot 27) Ook geven zij aan soms incidentele behoefte te hebben aan bepaalde expertise waarvoor een dienstverband voor onbepaalde tijd niet voor de hand ligt. Deze redenen voor schoolbesturen om te werken met tijdelijke arbeidsovereenkomsten en externe inhuur worden met de arbeidsmarktmaatregelen uit het wetsvoorstel niet weggenomen.

Verder is het van belang dat in het licht van de Uitzendrichtlijn van de Europese Unie beperkingen op de inzet van uitzendkrachten (externe inhuur) dienen te worden gemotiveerd vanuit dwingende redenen van algemeen belang. (zie noot 28) Daartoe kan een argument zijn dat die maatregel noodzakelijk en geschikt is voor de bescherming of de verbetering van het onderwijs, maar dat dient dan wel te worden toegelicht. (zie noot 29)

Daarnaast is voor de beoordeling van de noodzaak van de arbeidsmarktmaatregelen van belang hoe deze zich verhouden tot afspraken in cao-verband. Dit advies gaat daar in punt 3 nader op in.

De Afdeling adviseert de noodzaak, geschiktheid en effectiviteit van de arbeidsmarktmaatregelen voor de continuïteit en kwaliteit van het onderwijs dragend te motiveren, en voor zover dit niet mogelijk is, deze te heroverwegen.

3. Recht op collectief onderhandelen

Door de voorgestelde arbeidsmarktmaatregelen hebben sociale partners minder ruimte om (afwijkende) cao-afspraken te maken. Daarom raakt dit wetsvoorstel aan het recht op collectief onderhandelen. Dit recht is verankerd in de door Nederland geratificeerde verdragen 87 en 98 van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). Deze organisatie beschouwt het recht op collectief onderhandelen als fundamenteel arbeidsrecht. Daarnaast is het recht op collectief onderhandelen erkend in door Nederland geratificeerde verdragen inzake sociale grondrechten. (zie noot 30)

a. CFA-normen
De ILO kent een toezichthoudende instantie voor de uitleg en interpretatie van het recht op collectief onderhandelen, het Comité voor vrijheid van vereniging (CFA). De uitspraken van dit Comité zijn niet juridisch bindend, maar wel gezaghebbend.

Volgens de door het CFA ontwikkelde normen dient de wetgever een rol te vervullen bij (de vorming) van arbeidsvoorwaarden door te voorzien in een kader van algemeen geldende wetgeving, met minimumvoorschriften, verbodsbepalingen en doelbepalingen. (zie noot 31) Dit kader functioneert als ondergrens voor cao-afspraken. Ook dient de wetgever te voorzien in ordenende wetgeving met kaders waarbinnen sociale partners zelf op basis van het recht op collectief onderhandelen arbeidsvoorwaarden kunnen regelen. (zie noot 32) De regering heeft deze normen ook erkend en het wettelijk systeem is ook zodanig ingericht. (zie noot 33)

Verder moet volgens het CFA (onder meer) elke beperking van de collectieve onderhandelingsvrijheid voorafgegaan worden door een overleg met de sociale partners. De overheid mag in de regel ook niet ingrijpen in de arbeidsvoorwaarden van bestaande cao’s. Een dergelijke interventie zou alleen gerechtvaardigd zijn om dwingende redenen van sociale rechtvaardigheid en algemeen belang. Zo heeft het CFA eerder overwogen dat een wettelijke bepaling die de inhoud van een cao eenzijdig wijzigt in strijd is met de beginselen van het recht op collectief onderhandelen. (zie noot 34)

b. Noodzaak
Volgens de regering vormen de voorgestelde arbeidsmarktmaatregelen een gerechtvaardigde beperking van het recht op collectief onderhandelen, omdat deze een minimumbescherming bieden voor leraren als specifieke groep werknemers. Ook dragen deze maatregelen volgens de regering bij aan (onder meer) de continuïteit en kwaliteit van het onderwijs, het samenwerken in het team en het beperken van de oplopende uitgaven aan externe inhuur. (zie noot 35)

De regering heeft de voorgestelde arbeidsmarktmaatregelen besproken met de sociale partners, met het doel dat de sociale partners tot aanvullende afspraken op dit gebied komen in de cao’s. Volgens de toelichting is het de sociale partners niet gelukt om tot cao-afspraken hierover te komen. Tegelijkertijd stelt de regering dat het beoogde resultaat niet afdoende kan worden bereikt met cao-afspraken, omdat de inspectie niet bevoegd is om op de naleving van cao-afspraken toe te zien. Volgens de regering is dit aanvullende toezicht noodzakelijk en werkt dit ondersteunend. (zie noot 36) Daarnaast acht de regering wettelijke maatregelen nodig omdat niet alle schoolbesturen zijn aangesloten bij de werkgeverorganisatie en de CAO PO en de CAO VO niet voor alle schoolbesturen gelden. (zie noot 37)

De Afdeling merkt op dat de voorgestelde arbeidsmarktmaatregelen ten dele al zijn gerealiseerd in cao’s. (zie noot 38) In dat verband geeft de toelichting onvoldoende inzicht in de vraag in hoeverre de bestaande cao’s en de praktijk van het huidige personeelsbeleid niet al voldoen aan de voorgestelde criteria. Pas met behulp van die informatie kan worden beoordeeld of een wettelijk ingrijpen noodzakelijk en geschikt is om het beoogde doel te bereiken. De omstandigheid dat een wettelijke verankering de inspectie in staat zou stellen om op de naleving hiervan toe te zien vormt op zichzelf niet voldoende rechtvaardiging voor de invoering van de voorgestelde arbeidsmarktmaatregelen.

De Afdeling adviseert nader toe te lichten hoe de arbeidsmarktmaatregelen zich verhouden tot bestaande cao-afspraken en het recht op collectief onderhandelen en de noodzaak ervan nader te bezien in het licht van de praktijk op dit gebied.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.

De vice-president van de Raad van State

Voetnoten

(1) Memorie van toelichting, paragraaf 2. ‘Hoofdlijnen van het wetsvoorstel’. Zie ook Kamerstukken II 2024/25, 27923, nr. 497.
(2) Memorie van toelichting, paragraaf 1. ‘Inleiding’.
(3) Memorie van toelichting, paragraaf 1. ‘Inleiding’.
(4) Memorie van toelichting, paragraaf 2.1.2 ‘Arbeidsmarktmaatregelen leraren funderend onderwijs’.
(5) Memorie van toelichting, paragraaf 2.1.2 ‘Arbeidsmarktmaatregelen leraren funderend onderwijs’.
(6) Artikel 23, zesde lid, van de Grondwet.
(7) Zie advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 26 maart 2025 over de Wet vrij en veilig onderwijs, (W05.24.00331/I), Kamerstukken II 2024/25, 36777, nr. 4, punt 2b. Zie verder Onderwijsraad, Vaste grond onder de voeten. Een verkenning inzake artikel 23 Grondwet, 2002, p. 78-81.
(8) Bijlagen bij Kamerstukken II 2024/25, 27923, nr. 497.
(9) Rapport Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen, p. 274. Zie ook Factsheet lerarentekort, bijlage bij Kamerstukken II 2024/25, 27923, nr. 497.
(10) Zie bijvoorbeeld IBO Koersen op kwaliteit en kansengelijkheid, bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 31293, nr. 669. Zie ook Kamerstukken II 2023/24, 31293, nr. 727, p. 4.
(11) Voorgestelde artikelen 13c, derde lid, van de WPO; 22b, derde lid van de WEC; 2.92a, derde lid, van de WVO 2020.
(12) Knies, E., Leisink, P., & van de Schoot, R. (2017). People management: developing and testing a measurement scale. The International Journal of Human Resource Management, 31(6), 705-737.
(13) MOOZ & CAOP, Strategisch personeelsbeleid in het primair onderwijs, april 2023; Universiteit Utrecht, Strategisch personeelsbeleid in het voortgezet onderwijs (2023-meting), 2023.
(14) Regeling bijzondere bekostiging professionalisering en begeleiding starters en schoolleiders.
(15) Regeling aanvullende bekostiging strategisch personeelsbeleid, begeleiding en verzuim vo.
(16) Memorie van toelichting, paragraaf 2.2.1.2 ‘Stand van zaken strategisch personeelsbeleid’.
(17) Memorie van toelichting, paragraaf 2.2.1.2 ‘Stand van zaken strategisch personeelsbeleid’.
(18) Memorie van toelichting, paragraaf 2.3 ‘inhoud van het wetsvoorstel’.
(19) De dekking voor incidentele en structurele kosten kunnen schoolbesturen volgens de regering halen uit de reeds beschikbare financiële middelen. Extra middelen worden niet ter beschikking gesteld.
(20) Memorie van toelichting, paragraaf 9 ‘Financiële gevolgen’.
(21) Memorie van toelichting, paragraaf 2.2.1.3 ‘Probleemaanpak’.
(22) Memorie van toelichting, paragraaf 2.2.2 ‘Arbeidsmarktmaatregelen’.
(23) Zie ook advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 26 maart 2025 over de Wet vrij en veilig onderwijs, (W05.24.00331/I), Kamerstukken II 2024/25, 36777, nr. 4, punt 2b.
(24) Zie: Kamerstukken II 2003/04, 29736, nr. 3. Zie ook het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 15 oktober 2025 over het Wetsvoorstel gerichte bekostiging (W05.25.00133/I).
(25) Zie ook M. Claessens, ‘Nieuwe bekostigingsvormen voor een ‘betrokken overheid’: over de autonomie van onderwijsorganisaties in relatie tot een ‘gerichte’ en ‘genormeerde’ bekostiging’, in: R. van Schoonhoven (red.), Overheid en onderwijs: rechtsverhoudingen op drift?, Den Haag: Boom 2024.
(26) Zie bijvoorbeeld de Subsidieregeling verbetering basisvaardigheden; Zie ook het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 15 oktober 2025 over het Wetsvoorstel gerichte bekostiging (W05.25.00133/I), www.raadvanstate.nl, punt 2b.
(27) Zie Memorie van toelichting, paragraaf 12.2 ‘Reacties op internetconsultatie’.
(28) Artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn 2008/104/EG.
(29) Uit jurisprudentie volgt dat de bescherming of de verbetering van het onderwijs een dwingende reden van algemeen belang is, zie: HvJ EG 11 januari 2007, C-40/05, ECLI:EU:C:2007:10 (Kaj Lyyski tegen Umeå universitet), par. 39.
(30) Zie artikel 6 van het Europees Sociaal Handvest; ook artikelen 28 van het EU-grondrechtenhandvest erkent dit recht. In dit kader zijn ook de artikelen 7.34-35 van de WVO 2020; artikelen 33 en 38 van de WPO en de WEC relevant.
(31) Bijvoorbeeld de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, de Arbeidsomstandighedenwet en de Arbeidstijdenwet.
(32) Bijvoorbeeld de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst.
(33) Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2011/12, 29544, nr. 359.
(34) International Labour Organisation, Freedom of association, Digest of decisions and principles of the Freedom of Association Committee of the Governing Body of the ILO, nrs. 1421, 1426 en 1447. Zie ook R.D. Poelstra, ‘Overheidsinmenging in de arbeidsvoorwaardenvorming en het fundamentele recht op collectief onderhandelen’, TRA 2021/43.
(35) Memorie van toelichting, paragraaf 3.3 ‘Recht op collectief onderhandelen’.
(36) Idem.
(37) Idem.
(38) Zie de artikelen 3.1, 3.18 en 6.1 van de CAO PO 2024-2025; artikelen 9.2, 9.3 en 9.7 van de CAO VO 2024-2025.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon