Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202302838/1/R2

Uitspraak 202302838/1/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2647
Datum uitspraak
11 juni 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 18 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk aan Rinderberg Holding B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van acht appartementen aan de Grotestraat 172 in Waalwijk. Rinderberg heeft een kantoorpand verbouwd tot een appartementencomplex met acht woningen. Daarvoor is een verdieping op het pand geplaatst. [appellant] woont tegenover dit voormalig kantoorpand en is het niet eens met de aan Rinderberg verleende omgevingsvergunning voor de appartementen, in afwijking van het bestemmingsplan en met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 1 en 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Hij vindt dat de vergunning op onjuiste gronden is verleend en dat het college niet goed rekening heeft gehouden met het belang van zijn privacy. De rechtbank heeft gemotiveerd geoordeeld dat het voormalig kantoorpand waarin de appartementen zijn gerealiseerd een hoofdgebouw is en dat er geen reden is dat het college daarom geen toepassing kon geven aan artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor.
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202302838/1/R2.
Datum uitspraak: 11 juni 2025

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Waalwijk,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-Brabant van 22 maart 2023 in zaak nr. 22/2452 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2021 heeft het college aan Rinderberg Holding B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van acht appartementen aan de Grotestraat 172 in Waalwijk.

Bij besluit van 13 april 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 maart 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

2.       Rinderberg heeft een kantoorpand verbouwd tot een appartementencomplex met acht woningen. Daarvoor is een verdieping op het pand geplaatst. [appellant] woont tegenover dit voormalig kantoorpand en is het niet eens met de aan Rinderberg verleende omgevingsvergunning voor de appartementen, in afwijking van het bestemmingsplan en met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 1 en 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Hij vindt dat de vergunning op onjuiste gronden is verleend en dat het college niet goed rekening heeft gehouden met het belang van zijn privacy.

3.       De rechtbank heeft gemotiveerd geoordeeld dat het voormalig kantoorpand waarin de appartementen zijn gerealiseerd een hoofdgebouw is en dat er geen reden is dat het college daarom geen toepassing kon geven aan artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor. Ook heeft de rechtbank gemotiveerd geoordeeld dat het college de vermindering van de privacy van [appellant] aanvaardbaar mocht achten. De Afdeling onderschrijft dit oordeel en de onder 3.1 en 4.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

3.1.    Zij voegt daar nog aan toe dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de door [appellant] aangehaalde uitspraken van de Afdeling - onder meer de uitspraak van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1305 - over andere gevallen gaan. Het gaat in deze zaak namelijk om de vraag of de eis geldt dat het afwijkende gebruik wat met de omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt (op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Bor en bij gecombineerde toepassing met onderdeel 1 van dat artikel) noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de bestemming van het bestaande hoofdgebouw. Dat is niet het geval, want als het hoofdgebouw er al staat, wordt aan de hand van de bestaande feitelijke situatie vastgesteld wat het hoofdgebouw is. Het beoogde afwijkende gebruik wordt daar niet bij betrokken. Dit is ook logisch, want anders zou een gecombineerde toepassing van de onderdelen 1 en 9 niet mogelijk zijn, terwijl dit volgens vaste rechtspraak van de Afdeling juist wel kan (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:819, onder 5.1 en 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2639, onder 3.1). De toepassing van onderdeel 9 gaat namelijk altijd over gebruik dat niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan en dus ook over gebruik dat niet noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende bestemming.

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Ahmady-Pikart
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2025

638


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon