Uitspraak 200308671/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AP1348
- Datum uitspraak
- 10 mei 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 februari 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) appellant ongewenst verklaard. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
200308671/1.
Datum uitspraak: 10 mei 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 24 november 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) appellant ongewenst verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij besluit van 23 juli 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 24 november 2003, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 december 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 2 februari 2004 heeft de minister een reactie ingediend.
Bij brief van 4 februari 2004 heeft appellant een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 120 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voorzover thans van belang, kan hoger beroep, als bedoeld in artikel 84 van die wet, slechts worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit dat is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met uitzondering van een beslissing op bezwaar, gericht tegen een besluit, bekendgemaakt voor inwerkingtreding van de wet.
2.1.1. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
Ingevolge artikel 3:41, tweede lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van het besluit, indien zij niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, op een andere geschikte wijze.
2.1.2. Ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet (oud), voorzover thans van belang, kan een vreemdeling door de minister ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare rust, de openbare orde of de nationale veiligheid, en het hem niet krachtens een der bepalingen van de artikelen 9, 9a en 10 is toegestaan in Nederland te verblijven.
Ingevolge artikel 21, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (oud) wordt, indien de bekendmaking van de beschikking geschiedt door toezending, van de beschikking mededeling gedaan in de Staatscourant.
2.1.3. Paragraaf A5/6.4 van de Vreemdelingencirculaire (oud) vermeldt, voorzover thans van belang, dat een afschrift van een beschikking als bedoeld in artikel 21 van de Vreemdelingenwet (oud) zoveel mogelijk in persoon aan de vreemdeling dient te worden uitgereikt. Kan uitreiking van het afschrift van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet plaatsvinden, dan wordt deze per aangetekende brief gezonden aan zijn laatstbekende adres en vindt tevens publicatie van de beschikking in de Nederlandse Staatscourant plaats.
2.2. Bij brief van 18 mei 2000 aan de Vreemdelingendienst heeft de voormalige partner van appellant verklaard dat het huwelijk tussen haar en appellant verbroken is en dat appellant niet meer op het gezamenlijke adres woonachtig is. Volgens een telefoonnotitie van 13 februari 2001 van een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, Regionale Directie Noord-West, opgemaakt naar aanleiding van een gesprek met een medewerker van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA), is uit onderzoek gebleken dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken en op 25 juli 2000 uit de GBA is uitgeschreven. Ten tijde van het nemen van het besluit van 20 februari 2001 was bij de staatssecretaris derhalve geen adres van appellant bekend. Op verzoek van de staatssecretaris is in de Staatscourant van 7 maart 2001 gepubliceerd dat appellant bij beschikking van de staatssecretaris van 19 februari 2001, onder nummer 9111.27.0065, met toepassing van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet ongewenst is verklaard.
2.3. Blijkens de geschiedenis van haar totstandkoming (nota naar aanleiding van het verslag bij de wet houdende de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht, Kamerstukken II 1994-1995, 23 700, nr. 5, p. 4) is met de in artikel 3:41, tweede lid, van de Awb neergelegde bekendmakingsregeling - die een aanvulling vormt op de voorheen reeds bestaande bekendmakingsregeling van het eerste lid van voormeld artikel - beoogd een regeling te geven "voor het geval de gewone bekendmaking door toezending of uitreiking aan de belanghebbende(n) niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat zijn identiteit of adres onbekend is." In de memorie van toelichting bij deze wet (Kamerstukken II 1994-1995, 23 700, nr. 3, p. 13) staat vermeld dat "als andere geschikte wijzen kunnen afhankelijk van de omstandigheden in het algemeen onder meer worden beschouwd publicatie in een dag- of nieuwsblad, aanplakking op het gemeentelijk publicatiebord of aanplakking ter plekke."
2.4. Het bepaalde bij artikel 21, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (oud) sluit de toepasselijkheid van artikel 3:41, tweede lid, van de Awb niet uit. Nu de staatssecretaris zich er door onderzoek van had vergewist dat bekendmaking van de beschikking niet kon geschieden door uitreiking en toezending zinledig was, omdat appellant niet meer woonachtig was op het laatstbekende adres en met onbekende bestemming was vertrokken, is door de publicatie van de strekking van het besluit in de Staatscourant op
7 maart 2001 dit besluit bekend gemaakt op een andere geschikte wijze, als bedoeld in artikel 3:41, tweede lid, van de Awb. De omstandigheid dat het besluit van 20 februari 2001 op 29 juli 2002 alsnog in persoon is uitgereikt heeft gelet op het vorenstaande voor de bekendmaking ervan derhalve geen betekenis meer.
2.5. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank op beroep tegen het besluit van 23 juli 2003, houdend een beslissing op bezwaar, gericht tegen het op 7 maart 2001, dus vóór de inwerkingtreding van de Vw 2000, bekend gemaakte besluit.
Gelet op voormeld artikel 120 van de Vw 2000, gelezen in verbinding met artikel 33e van de Vreemdelingenwet (oud), kan hiertegen - anders dan in de aangevallen uitspraak is vermeld - geen hoger beroep worden ingesteld.
2.6. De Afdeling is kennelijk onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
w.g. Van de Kolk
Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2004
347-360-464.