Uitspraak 202305891/3/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:2195
- Datum uitspraak
- 29 april 2024
- Inhoudsindicatie
- Bij uitspraak van 22 december 2023, in zaak nr. 202305891/2/R1, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het hoger beroep van [opposante] tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2023 in zaken nrs. 23/142 en 23/143 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [opposante] verzet gedaan. In verzet voert Getir aan dat de postbezorging door PostNL onbetrouwbaar is. Zij stelt daartoe dat dus niet vaststaat dat een medewerker van Getir de aangetekend verzonden brief van 14 september 2023 in ontvangst heeft genomen en daarvoor heeft getekend. Getir wijst er verder op dat de aangetekend verzonden brief van de Afdeling van 20 oktober 2023 haar ook niet heeft bereikt. Volgens Getir is het buiten de gestelde termijn indienen van haar hoger beroepsgronden verschoonbaar. Zij verwijst daarvoor naar de uitspraken van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) van 30 januari 2024.
- Verzet
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202305891/3/R1.
Datum uitspraak: 29 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van:
Getir Netherlands B.V. gevestigd te Amsterdam,
opposante,
tegen de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2023 in zaak nr. 202305891/2/R1.
Procesverloop
Bij uitspraak van 22 december 2023, in zaak nr. 202305891/2/R1, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het hoger beroep van Getir tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2023 in zaken nrs. 23/142 en 23/143 niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Getir verzet gedaan.
Overwegingen
1. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
2. Een hoger beroep kan alleen zonder zitting niet-ontvankelijk worden verklaard als dat ‘kennelijk’ het geval is (artikel 8:54 van de Awb). De term ‘niet-ontvankelijk’ betekent dat er geen inhoudelijke behandeling van het hoger beroep is. De term ‘kennelijk’ betekent dat er geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van het hoger beroep. Als tegen zo’n ‘kennelijk’-uitspraak verzet wordt ingesteld, moet de rechter die op dat verzet beslist beoordelen: (a) of terecht is geoordeeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is en (b) of daar geen twijfel over mogelijk is. Daarbij neemt de rechter alle argumenten van de indiener mee die te maken hebben met die niet-ontvankelijkverklaring. Dat kunnen ook nieuwe feiten of nieuwe argumenten zijn die daar over gaan.
3. In de uitspraak, waarvan verzet, heeft de Afdeling het hoger beroep van Getir met toepassing van artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij de gronden van haar hoger beroep niet binnen de door de Afdeling bij aangetekend verzonden brief van 14 september 2023 gestelde termijn heeft ingediend.
4. In verzet voert Getir aan dat de postbezorging door PostNL onbetrouwbaar is. Zij stelt daartoe dat dus niet vaststaat dat een medewerker van Getir de aangetekend verzonden brief van 14 september 2023 in ontvangst heeft genomen en daarvoor heeft getekend. Getir wijst er verder op dat de aangetekend verzonden brief van de Afdeling van 20 oktober 2023 haar ook niet heeft bereikt. Volgens Getir is het buiten de gestelde termijn indienen van haar hoger beroepsgronden verschoonbaar. Zij verwijst daarvoor naar de uitspraken van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) van 30 januari 2024.
5. In verzet beoordeelt de Afdeling of in de uitspraak waartegen verzet is gedaan, terecht is geoordeeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is en of daar geen twijfel over mogelijk is.
De Afdeling heeft in de uitspraak waarvan verzet overwogen dat Getir bij aangetekend verzonden brief van14 september 2023 in de gelegenheid is gesteld om op uiterlijk 26 oktober 2023 de gronden van het hoger beroep aan te voeren. Indien een stuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op rechtmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Volgens het track-and-trace overzicht van PostNL is de aangetekend verzonden brief van 14 september 2023 op 15 september 2023 op regelmatige wijze aan het door Getir opgegeven adres aangeboden. Uit het overzicht blijkt ook dat er een handtekening voor ontvangst is geplaatst. Daarnaast heeft Getir bij brief van 8 november 2023 aangegeven dat de brief van 14 september 2023 haar kantoor op zichzelf wel heeft bereikt, maar dat die brief binnen het kantoor niet is verwerkt. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de aangetekend verzonden brief van 14 september 2023 niet op de juiste wijze is bezorgd. Onder deze omstandigheid ligt het op de weg van Getir om aannemelijk te maken dat zij de brief toch niet heeft ontvangen. Hierin is zij niet geslaagd. Het feit dat Getir de aangetekend verzonden brief van 20 oktober 2023 niet heeft ontvangen, wat ook blijkt uit de track-and-trace overzicht van PostNL, maakt dit niet anders. In deze brief is namelijk aan Getir een termijn geboden om aan een andere formaliteit te voldoen dan het vermelden van de gronden van het hoger beroep. Aan die termijn heeft zij tijdig voldaan.
Op 30 januari 2024 heeft de grote kamer van het CBb vier uitspraken gedaan over de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding (ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33, ECLI:NL:CBB:2024:34). Voor zover Getir verwijst naar deze uitspraken van het CBb, oordeelt de Afdeling als volgt. De Afdeling benadrukt dat het in die zaken ging over het begrip ‘verschoonbare termijnoverschrijding’, waarbij
niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft op grond van artikel 6:11 van de Awb, bij het na afloop van de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn, indienen van een bezwaar- of een beroepschrift indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De bij aangetekend verzonden brief van 14 september 2023 gestelde termijn van vier weken, waar Getir overeenkomstig artikel 6:6, laatste volzin, van de Awb in de gelegenheid is gesteld om de gronden van haar hoger beroep in te dienen, betreft anders dan de in artikel 6:7 genoemde termijn geen wettelijke termijn. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2014 wordt er aan de appellant bij een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb de gelegenheid geboden om het verzuim binnen vier weken te herstellen. Dat is in dit geval gebeurd. Naar aanleiding van de uitspraken van de grote kamer van het CBb hanteert de Afdeling een nieuw beoordelingskader bij toetsing aan artikel 6:11 van de Awb. De Afdeling ziet echter geen aanleiding om in dit geval toepassing te geven aan het nieuwe beoordelingskader.
Nu de hoger beroepsgronden niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat in de uitspraak van 22 december 2023 onterecht het hoger beroep van Getir
niet-ontvankelijk is verklaard of dat daar twijfel over mogelijk is. Het betoog slaagt niet.
6. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat het hoger beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
7. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzet ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.
w.g. Ten Veen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Klingers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2024
341-836
BIJLAGE
ALGEMENE WET BESTUURSRECHT
Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter
Afdeling 8.2.4 Vereenvoudigde behandeling
Artikel 8:54
1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,
c. het beroep kennelijk ongegrond is, of
d. het beroep kennelijk gegrond is.
2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid.
Artikel 8:55
1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter.
[…]
7. De uitspraak strekt tot:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet,
b. ongegrondverklaring van het verzet, of
c. gegrondverklaring van het verzet.
8. Indien de bestuursrechter het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand.
9. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
[…]