Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200302591/2

Uitspraak 200302591/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2003:141
Datum uitspraak
17 juni 2003
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 10 maart 2003, kenmerk 2001-027, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het veranderen van een vleeskuikenhouderij op het perceel [locatie 1], kadastraal bekend gemeente [plaats].
  • Voorlopige voorziening
  • Vee e.a. dieren

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200302591/2.
Datum uitspraak: 17 juni 2003

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2003, kenmerk 2001-027, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het veranderen van een vleeskuikenhouderij op het perceel [locatie 1], kadastraal bekend gemeente [plaats].

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 7 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 22 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 juni 2003, waar verzoeker bij monde van mr. H. Martens, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door J.J. Bronsveld, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ter zitting heeft verzoeker zijn gronden inzake de situering van de container met mest, de haalbaarheid van de geluidgrenswaarden en de geluidbelasting van de hakselaar ingetrokken.

2.3. De bij het bestreden besluit vergunde uitbreiding van de inrichting betreft een stal voor het houden van 45.000 vleeskuikens, de verlenging van stal 2 naar 76 meter, drie voersilo’s en de opslag van vaste mest op de bestaande mestplaat.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Verzoeker heeft betoogd dat verweerder er bij de beoordeling van de tengevolge van de vergunde uitbreiding van de inrichting te verwachten stankhinder ten onrechte van is uitgegaan dat de omgeving van de inrichting dient te worden ingedeeld in categorie III in plaats van categorie II als bedoeld in de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure), de dichtstbijgelegen woning van derden [locatie 2] in plaats van [locatie 3] betreft en de ventilator-uitlaat van stal 3 het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting is in plaats van de deur in de voorgevel van deze stal.

2.5.1. Verweerder heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd. Voorzover het de indeling in omgevingscategorieën betreft, heeft hij toepassing gegeven aan de brochure.

2.5.2. Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder de directe omgeving van de inrichting op goede gronden in categorie III van de brochure ingedeeld. Weliswaar staat in de directe omgeving van de inrichting een aantal burgerwoningen, doch deze zijn niet zodanig geconcentreerd dat het gebied daardoor een bepaalde woonfunctie verkrijgt als is vereist in een categorie II-situatie.

Ter zitting heeft verweerder betoogd dat de woning [locatie 3] een bedrijfswoning is, dit is door verzoeker niet weersproken.

De Richtlijn gaat voor het meten van de afstand tot stankgevoelige objecten uit van het emissiepunt van natuurlijk of mechanisch geventileerde stallen. Voor mechanisch geventileerde stallen, zoals stal 3, is dit emissiepunt de dichtstbijzijnde ventilatoruitlaat. Wanneer sprake is van grote ventilatieverliezen door andere openingen dan via de mechanische ventilatie moeten deze stallen volgens de Richtlijn op dezelfde wijze als bij natuurlijk geventileerde stallen worden beoordeeld. Gelet op het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.1.6 over het gesloten houden van de deuren van de stallen en het verhandelde ter zitting hierover acht de Voorzitter het voldoende aannemelijk dat geen grote ventilatieverliezen optreden door de deur in de voorgevel van stal 3. Verweerder heeft dan ook op goede gronden de in de achtergevel van deze stal aanwezige ventilatoruitlaat aangemerkt als het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting. Niet in geding is dat de woning [locatie 2] op een afstand van 150 meter van dit emissiepunt staat.

Al het vorenstaande overziende heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare stankhinder.

2.6. Verzoeker kan zich niet verenigen met de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT). Hiertoe heeft hij aangevoerd dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van de richtwaarden voor het omgevingstype woonwijk in de stad, zoals genoemd in hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1999 (hierna: de Handreiking). Verder heeft hij aangevoerd dat de geluidbelasting van de hogedrukreiniger ten onrechte niet is gemeten.

2.6.1. Verweerder heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder hoofdstuk 4 van de Handreiking en in het verlengde daarvan de circulaire Industrielawaai 1979 (hierna: de circulaire) tot uitgangpunt opgenomen.

In de circulaire wordt voor bestaande inrichtingen aanbevolen de aanvraag om vergunning opnieuw te toetsen aan de streefwaarden van de circulaire. Overschrijding van de streefwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot een maximum van 55 dB(A) kan volgens de circulaire in sommige gevallen aanvaardbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol spelen.

2.6.2. Verweerder is het met verzoeker eens dat de omgeving van de inrichting moet worden aangemerkt als een landelijke omgeving, zoals genoemd in hoofdstuk 4 van de Handreiking. De aanbevolen richtwaarden voor dit omgevingstype zijn 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Omdat echter de omgeving ter plaatse wordt doorsneden door de weg Koartwâld, welke volgens verweerder een hoge verkeersintensiteit heeft, heeft verweerder er voor gekozen in voorschrift 5.1.1 aan te sluiten bij de aanbevolen richtwaarden van 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode voor het omgevingstype woonwijk in de stad. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de op gemeentelijke geluidniveau-kaarten aangegeven 55 dB(A)-geluidcontour. De overschrijding van de aanbevolen richtwaarden voor het omgevingstype landelijke omgeving is derhalve, anders dan het door verweerder gehanteerde beoordelingskader aangeeft, niet gebaseerd op het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Geoordeeld moet worden dat nu verweerder heeft nagelaten het referentieniveau van het omgevingsgeluid te bepalen, hij heeft gehandeld in strijd met het door hem gekozen uitgangspunt. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk gemotiveerd.

2.6.3. Ter zitting is verder vast komen te staan dat de aanvraag niet uitsluit dat de hogedrukreiniger behalve binnen ook op het erf en de oprit wordt gebruikt. Verweerder heeft erkend de geluidbelasting van de hogedrukreiniger niet te hebben betrokken bij de beoordeling van de haalbaarheid van de gestelde geluidvoorschriften. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid.

2.7. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen van 10 maart 2003, kenmerk 2001-027;

II. gelast dat de gemeente Achtkarspelen aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. De Vink
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2003

154.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon