Uitspraak 200302853/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:144
- Datum uitspraak
- 16 juni 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 maart 2003, kenmerk 032823/16, heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning krachtens de Grondwaterwet verleend voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bouwputbemaling in verband met de aanleg van een parkeerkelder voor het project Waterfront te Terneuzen.
- Voorlopige voorziening
- Grondwaterwet
Toon inhoud
200302853/2.
Datum uitspraak: 16 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Zeeland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 maart 2003, kenmerk 032823/16, heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning krachtens de Grondwaterwet verleend voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bouwputbemaling in verband met de aanleg van een parkeerkelder voor het project Waterfront te Terneuzen.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 5 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 5 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 mei 2003, waar verzoeker in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door E.J. Lere en
W. Buizer, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts zijn vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. J.J. Jacobse, advocaat te Middelburg, de directeur, en [gemachtigde], en het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen, vertegenwoordigd door mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Appellant stelt dat de onttrekking van grondwater zal leiden tot schade aan zijn woning en de beplanting in zijn tuin. Voorts is hij bevreesd voor toename van het zoutgehalte en migratie van vervuiling in het grondwater onder zijn perceel.
2.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het bemalingsrapport van [rapporteur], dat bij de aanvraag hoort, blijkt dat er een deklaag is van ongeveer 1 meter, waaronder zich het eerste watervoerende pakket bevindt tot een diepte van ongeveer 26 meter onder maaiveld. Verweerder voegt hieraan toe dat ter plaatse van de zeewering bovenop de oorspronkelijke deklaag opvulling met zand heeft plaatsgevonden. Aangezien de onttrekking plaats zal vinden onder de afsluitende deklaag, zal er volgens verweerder naar verwachting in het zandpakket boven de oorspronkelijke deklaag niet of nauwelijks verlaging van de grondwaterstand optreden als gevolg van de onttrekkingen. Het risico op droogteschade of zettingschade wordt hierdoor volgens verweerder verwaarloosbaar klein. Daar de onttrekkingen onder de oorspronkelijke deklaag plaatsvinden, zullen volgens hem de verontreinigingen, die zich boven de deklaag bevinden, niet worden verplaatst. Volgens verweerder bevat de zandige ophooglaag hoofdzakelijk zoet water, maar uit deze laag wordt geen grondwater onttrokken. In het zandpakket onder de oorspronkelijke deklaag, waaruit wel zal worden onttrokken, komt volgens de grondwaterkaarten brak tot zout water voor, aldus verweerder.
2.4. De Voorzitter acht het op grond van de geohydrologische situatie zoals die door verweerder is weergegeven en waarvan hij op grond van de hem ter beschikking staande gegevens en kennis naar het oordeel van de Voorzitter mocht uitgaan, voldoende aannemelijk dat de gevaren die volgens appellant aan de onttrekking van grondwater zijn verbonden, zoals zettingschade, droogteschade, verzilting en verplaatsing van verontreiniging, niet zodanig groot zijn dat verweerder, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid niet tot vergunningverlening had kunnen overgaan. Daarbij is van belang dat verweerder aan de vergunning voorschriften heeft verbonden, waarbij voorzien is in monitoring met behulp van hoogtebouten en peilbuizen, zodat het oorzakelijk verband tussen de aangevraagde onttrekking en onverhoopt optredende schade eenvoudiger kan worden vastgesteld.
2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Lap
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2003
288.