Uitspraak 200303026/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:157
- Datum uitspraak
- 6 juni 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 april 2003, kenmerk BLMIL/Wm 15606, heeft verweerder een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd van - € 1500,00 per week of gedeelte daarvan waarin op enig moment wordt geconstateerd dat meer gassen in cilinders aanwezig zijn dan vergund, tot een maximum van € 15.000,00; - € 1500,00 per week of gedeelte daarvan waarin op enig moment wordt geconstateerd dat andere gassen in cilinders worden opgeslagen dan vergund, tot een maximum van € 15.000,00.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200303026/1.
Datum uitspraak: 6 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Venlo,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 april 2003, kenmerk BLMIL/Wm 15606, heeft verweerder een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd van - € 1500,00 per week of gedeelte daarvan waarin op enig moment wordt geconstateerd dat meer gassen in cilinders aanwezig zijn dan vergund, tot een maximum van € 15.000,00; - € 1500,00 per week of gedeelte daarvan waarin op enig moment wordt geconstateerd dat andere gassen in cilinders worden opgeslagen dan vergund, tot een maximum van € 15.000,00.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 mei 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E. Schreur, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Verzoekster heeft de grond inzake de onbevoegdheid tot het nemen van het bestreden besluit door het Hoofd van de afdeling milieu ter zitting ingetrokken.
2.2. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursdwang kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting te veranderen of de werking daarvan te veranderen.
2.3. Verzoekster betoogt dat verweerder ten onrechte stelt dat legalisatie van de activiteiten die aan het besluit van 3 april 2003 ten grondslag liggen in de nabije toekomst niet te verwachten is. Zij stelt in dit verband dat het besluit om de aanvraag om revisievergunning die op 9 januari 2003 is ingediend, buiten behandeling te laten nog niet in rechte onaantastbaar is. Bovendien kan blijkens de brief van verweerder van 10 april 2003 nog tot vier weken na datum van die brief een nieuwe aanvraag worden ingediend.
2.3.1. Niet in geschil is dat door verzoekster ten tijde van het nemen van het besluit van 3 april 2003 in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer meer en andere gassen in cilinders werden opgeslagen dan vergund. Verweerder was derhalve bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.
2.3.2. Wat betreft het betoog van verzoekster aangaande de mogelijkheid van legalisering, overweegt de Voorzitter het volgende. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Voorzitter aannemelijk geworden dat verweerder door verzuim van verzoekster over onvoldoende informatie beschikt om te kunnen beoordelen of legalisatie mogelijk is. De Voorzitter ziet in deze grond daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen. Ook in de overige door verzoekster aangevoerde gronden ziet de Voorzitter geen aanleiding het verzoek toe te wijzen.
2.4. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin w.g. Heijerman
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2003
255-415.