Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202201262/1/V3

Uitspraak 202201262/1/V3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:1040
Datum uitspraak
11 april 2022
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 2 februari 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202201262/1/V3.
Datum uitspraak: 11 april 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 21 februari 2022 in zaak nr. NL22.1829 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 21 februari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Drenth, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris de vreemdeling terecht krachtens artikel 59a van de Vw 2000 in bewaring heeft gesteld, omdat hij voldoende heeft gemotiveerd dat met de Eurodactreffer van Zwitserland van 8 januari 2021 een concreet aanknopingspunt bestaat om aan te nemen dat de vreemdeling op grond van de Dublinverordening kan worden overgedragen. Anders dan de vreemdeling stelt, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1528, niet dat voor een concreet aanknopingspunt een claim, een claimakkoord of een overdrachtsbesluit is vereist.

2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de ophouding aansluitend op de strafrechtelijke detentie heeft plaatsgevonden. Dat volgt uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van ophouding en onderzoek als bedoeld in artikel 50a van de Vw 2000. Weliswaar staat op de registratiekaart van de vreemdeling van de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn geen parketnummer of datum van beëindiging van de strafrechtelijke detentie en ontbreken daarover andere stukken in het dossier, maar dat maakt niet dat aan de betrouwbaarheid van dat proces-verbaal moet worden getwijfeld. De stelling, dat de rechtbank de strafrechtelijke aanhouding mag toetsen omdat deze eigenlijk van vreemdelingenrechtelijke aard was, gaat dus niet op.

3. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat de staatssecretaris gedurende de bewaring voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van de vreemdeling. Op 4 februari 2022 is een claim gelegd, het akkoord van 7 februari is op 8 februari ontvangen en op dezelfde dag heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden. Op de zitting van 14 februari heeft de staatssecretaris de rechtbank laten weten dat een vlucht was geboekt voor 23 februari. Dat onduidelijk is wanneer deze vlucht is geboekt en dat dat mogelijk pas op de dag van de zitting is gebeurd, maakt, gelet op het tijdsverloop van zes dagen vanaf het vertrekgesprek tot de zitting, niet dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van de vreemdeling.

4. De grieven falen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Bijloos
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Dallinga

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2022

18-967


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon